Generaal laakt falen VN in Rwanda 1994

NAIROBI, 26 FEBR. De generaal die in 1994, tijdens de genocide, het bevel voerde over een vredesleger van de Verenigde Naties in Rwanda, zei gisteren dat hij destijds honderdduizenden levens had kunnen redden als de wereldleiders hem meer bevoegdheden en manschappen hadden gegeven.

De geharde Romeo Dallaire kon er nog steeds niet zonder emoties over praten. “Het was een missie van onbegrijpelijke en onvoorstelbare frustraties”, zei de 51-jarige Canadese generaal over zijn tijd als bevelhebber van de VN-troepen gedurende de genocide in Rwanda. Dallaires stem stokte enkele malen en hij moest zijn tranen drogen toen hij getuigde voor het speciale tribunaal van de Verenigde Naties voor Rwanda dat zetelt in Arusha, een stad in het noorden van Tanzania.

Dallaire legde zijn getuigenis af met speciale toestemming van VN-secretaris-generaal Kofi Annan. Hij was opgeroepen als getuige-deskundige in de zaak tegen Jean-Paul Akayesu, burgemeester van het gehucht Taba in Rwanda, die is aangeklaagd wegens misdaden tegen de menselijkheid en de moord op tweeduizend Tutsi's. Dallaire mocht van Annan alleen praten over de algehele situatie ten tijde van de genocide en niets onthullen over vertrouwelijke correspondentie tussen hem en het VN-hoofdkwartier in New York ten tijde van de massamoorden.

Dallaire salueerde bij aankomst in de rechtzaal in Arusha, maar kon zich tijdens het verhoor niet meer beheersen. “Het is onvoorstelbaar voor mij dat we iedere dag moesten aanschouwen hoe mensen werden afgeslacht terwijl de internationale gemeenschap niets ondernam”, aldus Dallaire. Op de vraag van Akayesu's advocaat of hij dat betreurde, antwoordde hij: “Daar kunt u zich geen voorstelling van maken. ”

Dallaires troepen moesten machteloos toezien hoe in vier maanden ongeveer 800.000 Rwandezen werden afgeslacht. Meteen na het uitbreken van de massamoorden in april, nadat tien Belgische VN-soldaten waren vermoord, werd zijn troepenmacht ingekrompen van 2.500 tot 270 man. België en vooral de Verenigde Staten weigerden hun vingers te branden aan de razernij die was uitgebroken. Kofi Annan was destijds hoofd vredesoperaties van de VN. Dallaire vroeg New York tevergeefs om versterkingen en liet in Rwanda geen gelegenheid onbenut om het handjevol aanwezige journalisten te bezweren deze boodschap wereldkundig te maken.

Dallaire wees gisteren geen schuldigen aan. “De VN zijn wij allen”, zei hij, “en dat betekent dat we allen hebben gefaald.” Al enkele maanden vóór de aanvang van de genocide had Dallaire voorgesteld in actie te komen. Hem was bekend dat Hutu-milities zich voorbereidden op de massaslachtingen. Hij stelde New York voor een Hutu-kamp aan te vallen en wapens te confisqueren. Zijn superieuren weigerden toestemming. Over de hulpeloosheid van de VN zei Dallaire: “Onze troepen hadden honderdduizenden levens kunnen redden.” Volgens het mandaat mocht zijn kleine troepenmacht alleen geweld gebruiken uit zelfverdediging.