Diefstal; Als fietssloten kraken

Fietssloten worden zwaar op de proef gesteld, op straat en in laboratoria. Vrijwel alle sloten zijn open te breken.

FIETSENDIEVEN zijn er in alle soorten en maten. Eén ding hebben ze gemeen: hun obsessie voor sloten. Het openbreken van kabels, beugels en kettingen is een ware wetenschap geworden met vooral veel practicum-uren. Echte krakers oefenen op straat, de TNO-heren van de testafdeling Keuringen nemen de sloten in een laboratorium onder handen.

Eigenlijk hebben fietsendieven het maar gemakkelijk. De kunst van het kraken is niet aan regels onderhevig en zodoende kunnen de beoefenaars vrijelijk hun gang gaan. Technieken te over. Eerst even het trucje met de afgebroken fietsstandaard proberen. Niet het gewenste resultaat. Dan maar poeren met de schroevendraaier en een sleuteltje, of toch maar de ijzerzaag pakken? Enige voorwaarde is dat het hulpmiddelenpakket onder de jas past en weinig decibels produceert.

Het slotentestteam van TNO's Instituut voor Wegtransportmiddelen kan zich niet zo ongebonden op het dievenpad begeven. De weg die de keurmeesters bewandelen, is strikt omschreven in een reglement dat de technische commissie van de Stichting Diefstalpreventie Tweewielers (ART) heeft opgesteld. Dit samenwerkingsverband van onder andere ANWB, RAI en verzekeraars is het brein achter het enige keurmerk voor sloten dat Nederland kent.

De spelregels: in zes rondes van 180 seconden mag de onderzoeker zich met een selectie uit het voorgeschreven gereedschap uitleven op een bepaald type slot. Naar eigen fantasie en hartelust. Drie minuten lang gaan bijvoorbeeld beitel en hamer het gevecht met de stalen constructie aan. “Wisselen van gereedschap mag. Natuurlijk niet te vaak, want een dief is geen lopende werkplaats”, licht de projectleider van de afdeling Keuringen, T. Cruyff, het testen toe. Alle onderdelen van het slot worden afzonderlijk aan een proef onderworpen.

Overleeft een exemplaar de meeste aanvallen, dan hoort het voortaan bij de 65 ART-goedgekeurde sloten die in ons land rondrijden. Het moet dan wel ook bij de vijf andere onderzoeken, zoals de vries- en de stoftest, hoog hebben gescoord.

'ART? Nooit van gehoord.' Voor ex-fietsendief André zijn de pseudokrakers van TNO grote onbekenden. Ook het oranje labeltje, het kwaliteitskeurmerk, zegt hem niets, hoewel zijn handen menig slot hebben opengebroken. De veertiger begon op veertienjarige leeftijd als incidentele dief - “een krantenfiets” - en eindigde als massaleverancier voor enkele helers. Zijn actieve perioden bij elkaar opgeteld is hij drie jaar lang op fietsenjacht geweest in Amsterdamse en Amstelveense buurten. Deze bezigheid was slechts één aspect van zijn dievenvak.

“Hoeveel fietsen ik stal, was afhankelijk van de vraag. Vooral de opkomst van de racefiets en enkele jaren later van de mountainbike hebben me veel werk bezorgd. Begin jaren negentig ben ik gestopt. Toen kwam er massaproductie en stortte de markt in. Ik kreeg nog maar 65 gulden per fiets. Ik had veel meer geld nodig om drugs te kunnen kopen.”

Andrés markt beperkte zich tot dure, snelle tweewielers. “Met troep kon ik echt niet bij mijn helers aankomen.” Ondanks deze eksterliefde voor glimmende voorwerpen had hij niet een bijzonder goede kraakuitrusting op zak, hoewel juist zijn type prooi vaak zwaar geketend wordt achtergelaten. Een heel assortiment meeslepen, zoals hij anderen zag doen, vond de Amstelvener maar niets. “De pakkans wordt dan veel te groot.” Een ijzerdraadje, een afgebroken fietsstandaard, enkele schroevendraaiers en in de loop der tijd verzamelde sleuteltjes waren voldoende.

De oud-kraker is autodidact. Het ene lesje 'Hoe open ik een wit ANWB-penpalslot?', dat een vriend hem eens gaf, was tijdverspilling. “Ik kon het allemaal niet volgen. Ik ben niet zo technisch.” Toen hij van een van zijn helers een oplaadbare slijptol kreeg, leek dat dan ook dé oplossing. “Ik had al een paar keer een Koga Miyata totaal verkracht doordat het slot niet open wilde. Met een slijptol ging het doorzagen van het slot heel gemakkelijk, maar het meeslepen van dat apparaat kostte erg veel inspanning. Die energie had ik op een gegeven moment niet meer.”

Ook ging hij een tijdje met een betonschaar op stap - “vrij problematisch om mee te nemen”. Bramen op de bek maakten een einde aan de samenwerking. Een ijzerzaag gebruikte hij alleen voor fietsen die hij thuis 'behandelde'.

André is niet het soort kraker dat J. Kampers, specialist Tweewielers bij de ANWB, voor ogen heeft als hij zegt: “Ik schat fietsendieven heel inventief in. Misschien zitten er wel heel goede HBO-technici tussen.” Volgens Kampers halen zij het slot in een schuurtje uit elkaar en bestuderen ze het vervolgens net zo lang totdat ze het kraakkunstje onder de knie hebben. “Op hun dooie gemak, ze hoeven toch niet naar hun baas.”

Bovendien zouden de “knappe jongens” zich op de digitale snelweg laten bijscholen in de laatste ontvreemdingstechnieken. De tweewielerspecialist: “Via Internet kan allerlei gereedschap worden besteld. Pagina's vol. Bijvoorbeeld lockpicking-setjes. Ook staan er op het net adressen van winkels waar zware apparatuur te koop is. En tips hoe je sloten kunt openen.”

De nepkrakers in het laboratorium zijn bij lange na niet zo bijdetijds als hun collega's in het veld. Trendy hulpmiddelen als het puntige lockpicking-instrumentje ontbreken immers op de lijst van toegestaan gereedschap. Dit bevreemdt Kampers een beetje. Hij vindt dat de diefje spelende TNO'ers hun handelen juist moeten baseren op wat er om de hoek gebeurt.

Daarom besloot hij zelf een 'waarheidsgetrouw' onderzoek te laten uitvoeren. Onder zijn verantwoordelijkheid als redacteur van het ANWB-ledenblad Fiets '98 zijn 23 Nederlandse fietssloten getest. Daarbij mocht agressiever gereedschap worden gebruikt dan binnen de TNO-muren is toegestaan. Het moesten wel spullen zijn die iedere burger kan kopen, in de doe-het-zelfzaak of vanachter zijn computer.

De tester mocht niet alleen méér de Rambo uithangen, hij kreeg ook meer tijd om zijn spierkracht te gebruiken. Neemt ART genoegen met een kraakbestendigheid van drie minuten, bij de ANWB-proef moest het slot een minuut langer dichtblijven om het predikaat 'goed' te ontvangen. Slechts twee sluitingen verdienden deze titel.

180 of 240 seconden? J. Feenstra, voorzitter van de technische commissie die de ART-testprocedure heeft opgesteld, weet niet precies hoeveel ontfutseltijd de gemiddelde fietsendief tegenwoordig nodig heeft. En met welke wapenuitrusting deze op fietsenjacht gaat? Geen idee. Maar hij is niet de enige onwetende. Ook de ANWB kan volgens Feenstra deze vragen niet beantwoorden. Daarom pleit hij voor onderzoek, want: “Pas als je echt een goed beeld hebt van wat er op straat gebeurt, kun je eventueel de testeisen gaan veranderen.”

In elk geval is de dievenscene niet de geavanceerde bedrijfstak die de opstellers van de ANWB-test voor ogen hebben. Feenstra gelooft best dat sommige krakers met oplaadbaar gereedschap op stap gaan. “Maar de grote vraag is: wordt het op grote schaal gebruikt? En dat is volgens mij absoluut niet het geval.” Pas wanneer is aangetoond dat het leeuwendeel van de dieven met dergelijk goed rondsluipt, vindt de voorzitter het tijd worden om deze apparatuur aan de gereedschapslijst toe te voegen.

Na een jarenlange vacature heeft er eindelijk weer 'een man van de straat' zitting in de technische commissie: een politie-agent. Uit zijn verhalen moet nu blijken of het hi-techgehalte van krakers werkelijk zo hoog is. En hun handjes zo snel. “Indien nodig worden de normen aangepast, maar die veranderingen hebben werkelijk niets met het onderzoek van de ANWB te maken”, zegt Feenstra nadrukkelijk. Al enkele jaren geleden zou de technische commissie hebben besloten te bekijken of het ART-reglement aan een opknapbeurt toe is.

Opmerkelijk genoeg is zowel de ANWB als ART nog nooit bij experts als André te rade gegaan. Ook hebben de opstellers van beide tests nog nooit een kijkje genomen bij de Oude Manhuispoort in Amsterdam, het Walhalla voor mensen op zoek naar een goedkoop karretje.

Toch zou een lesje snelkraken van ex-fietsendief André heel verhelderend kunnen werken. Hij kent van alle sloten de zwakke plek en weet welke modus operandi het meest succesvol is. Arbeidsduur per product is moeilijker te zeggen, want werktempo is nu eenmaal afhankelijk van een zeer onzekere factor: het aantal stoorzenders op straat.

De bekeerde dief, die nu voorlichting geeft bij de Stichting Delinkwentie en Samenleving, ziet zeker het nut van slotentests in. Ondanks de ongeveer 900.000 jaarlijkse successen van zijn oud-collega's. Al vraagt hij zich wel af of zijn imitators waarheidsgetrouw bezig zijn. “Zij lopen zeker in een overall rond en met handschoenen aan? En gebruiken ze wel het juiste gereedschap?” De gedachte dat dieven via Internet hun kraakgerei bestellen, doet hem in lachen uitbarsten.