Cherchez la femme

'Ik ben blij', zo besloot de spreekster op ietwat nuffige wijze haar overigens boeiende voordracht, 'dat u enige belangstelling heeft kunnen opbrengen voor de vrouwengeschiedenis, want het gaat hier tenslotte om de helft van de geschiedenis van de mensheid.''Ja', kon ik niet nalaten op te merken, 'en de wereld bestaat voor meer dan de helft uit zee, maar toch zal de zeegeschiedenis nooit meer dan een bescheiden onderdeel van de wereldgeschiedenis worden.'

Die opmerking was natuurlijk een beetje flauw, maar de opvatting dat de helft van de geschiedenis over vrouwen zou moeten gaan, omdat vrouwen de helft van de mensheid vormen, lijkt mij in algemene zin, zoal niet flauw dan toch onhoudbaar. Het hangt er immers maar van af om wat voor soort geschiedenis het gaat. In de demografische geschiedenis (ofwel de historische demografie) nemen vrouwen uiteraard evenveel plaats in als mannen. Hierbij gaat het echter niet om individuen, maar om groepen en collectieve gedragspatronen. In de sociale geschiedenis is dat ook zo. In de economische geschiedenis gaat het vooral over economische structuren, conjuncturen en andere abstracties. Mentaliteitshistorici daarentegen interesseren zich wel vaak voor individuen en zelfs voor de gewone man en vrouw. Maar ook als zij de lotgevallen van een enkel individu beschrijven, gaat het hun toch eigenlijk niet om die persoon zelf, maar om wat hij (of zij) ons kan vertellen over de samenleving en denktrant van zijn (of haar) tijd.

Er bestaat echter ook een soort geschiedenis dat ik nu maar even voor het gemak de 'gewone' of 'algemene' geschiedenis zal noemen. Ik bedoel hiermee de geschiedenis die men in school- en leerboeken aantreft. Hierin worden de personen en gebeurtenissen behandeld die van historisch belang zijn geweest en die een beschaafd, ontwikkeld mens daarom behoort te kennen. Die geschiedenisboeken verschillen weliswaar enigszins van land tot land en van tijd tot tijd, maar zij vertonen een opvallende gelijkenis in hun opvatting over wie de historisch belangrijke personen zijn geweest. Een geschiedenisboek waarin Napoleon niet voorkomt, bestaat bij mijn weten niet. Die aandacht is bovendien opmerkelijk constant. Ondanks alle vernieuwingen van de laatste decennia is er in dit opzicht niet veel veranderd, ook niet in de verdeling van de aandacht over vrouwen en mannen. Wij kunnen dit opmerkelijke feit op eenvoudige wijze illustreren door een paar bekende handboeken te vergelijken. Ik begin met R.R. Palmer en Joel Colton's A history of the modern world. Dit uitstekende Amerikaanse textbook wordt ook in Nederland bij veel geschiedenisopleidingen gebruikt. De tweede editie, die in mijn studententijd in Leiden werd ingevoerd ter vervanging van het klassieke boek van H.A.L. Fisher, A history of Europe, uit 1937, is van 1956. In het register van deze editie van Palmers handboek vinden wij 645 persoonsnamen. Hieronder zijn drieëndertig vrouwen. Dat komt neer op ongeveer 5,3 procent. De zevende en meest recente editie is van 1992. Het aantal persoonsnamen is gestegen tot 795. Het gaat nu om 747 mannen en 48 vrouwen. Het aandeel der vrouwen is dus een klein beetje gestegen, namelijk van 5,3 procent naar 6,4 procent. Zo schrijdt de vooruitgang voort, gestadig misschien, maar in ieder geval langzaam.

Hoe langzaam, blijkt nog duidelijker als wij zien wie de nieuwe vrouwen zijn die er in de loop van die ruim vijfendertig jaar bij zijn gekomen. Dat zijn er in totaal zeventien. Er zijn er namelijk ook twee afgevallen, te weten Ana Pauker, de Roemeense revolutionaire, en - ietwat verrassend zo kort na het bicentenaire van de Franse revolutie - Madame de Pompadour. De nieuwe vrouwennamen zijn, in alfabetische volgorde: Corazon Aquino, Jeanne d'Arc, Simone de Beauvoir, Benazir Bhutto, Lucretia Borgia, Sophie Condorcet, Marie Curie, Betty Friedan, Indira Gandhi, Mme de Geoffrin, Jiang Qing, Mme de Maintenon, Golda Meir, Lise Meitner, Mme de Staël, Elizabeth Stanton en Margaret Thatcher.

Het is interessant te zien dat Madame de Maintenon de plaats heeft ingenomen van Madame de Pompadour, maar welke betekenis wij hieraan moeten toekennen ontgaat mij. Onder de nieuwe namen zijn er zes die in 1956 nog onbekend waren, namelijk de dames Aquino, Bhutto, Gandhi, Jiang Qing, Meir en Thatcher. Hun opname is geen gevolg van een nieuwe opvatting over de geschiedenis, maar van de politieke ontwikkelingen van de laatste jaren. Dat geldt niet voor Madame Curie en Lise Meitner. Dat zij er nu bij staan, komt door de toegenomen aandacht voor de wetenschapsgeschiedenis (ook Nils Bohr werd in 1956 nog niet vermeld).

Verrassender is de opkomst van Lucretia Borgia en Jeanne d'Arc. Je kunt niet zeggen dat dat nieuw ontdekte sterren zijn en ik was eerlijk gezegd dan ook nogal verbaasd te ontdekken dat zij er vroeger niet in stonden. Sophie Condorcet en Mme de Geoffrin zijn typisch vrouwelijke ontdekkingen van de laatste jaren en Simone de Beauvoir, Elizabeth Stanton en Bettie Friedan kunnen wij als feministen beschouwen. Vijf nieuwe vrouwen in vijfendertig jaar tijd: veel is het niet. Wanneer wij de nieuwste Palmer vergelijken met Fishers boek van zestig jaar geleden, zien wij dat de door Palmer zojuist ontdekte Jeanne d'Arc daar ook al in stond. Fisher vermeldt bovendien zowel Madame de Maintenon als Madame de Pompadour. Hij geeft in totaal vijfentachtig vrouwennamen, veel meer dus dan de achtenveertig van Palmer, maar hij vermeldt dan ook veel meer persoonsnamen (in totaal 1.548). Met 85 vrouwen tegenover 1.463 mannen is het percentage vrouwen bijna vijf. Dat scheelt nauwelijks iets met Palmer.

De studenten zijn er dus van Fisher tot Palmer op het gebied van de vrouwengeschiedenis niet veel op vooruitgegaan. Laten wij daarom ten slotte eens kijken naar een nieuw en ultramodern handboek, John Merriman's A history of modern Europe. From the renaissance to the present. Het register van dit boek telt 1.043 persoonsnamen: 965 mannen en 78 vrouwen. Dat zijn aanzienlijk meer vrouwen dan bij Palmer, maar nog altijd minder dan in Fishers boek uit 1937. Het percentuele aandeel is wel wat hoger dan bij Fisher, namelijk acht. Het echte verschil zit hem echter in iets anders. Van de vijfentachtig vrouwen die bij Fisher voorkomen, zijn er slechts dertien 'in their own right' tot zijn boek doorgedrongen. De overige tweeënzeventig zijn koninginnen, prinsessen en maîtresses. Ook Merriman noemt heel wat van deze vrouwen en hij vermeldt ook de echtgenotes van Hitler, Ceaucescu en Lord Curzon. Maar bijna de helft van zijn vrouwen hebben hun plaats in de geschiedenis op eigen kracht verworven. Zo vinden wij bij hem een aantal vrouwelijke, al dan niet feministische, auteurs en twee heiligen (al deden die het natuurlijk niet helemaal op eigen kracht). De studenten van de toekomst zullen dus meer weten over de vrouwenemancipatie dan die van vroeger en dat is goed, want het is een van de meest ingrijpende ontwikkelingen van de laatste tijd. Maar ons beeld van het verleden wordt er niet wezenlijk door veranderd.