AFSTELLEN

Om rugklachten en spierpijn te voorkomen zijn er verschillende vuistregels voor het afstellen van de (reguliere) fiets:

1. De zithoogte is goed als de fietser zittend op het zadel met gestrekt been nog net met de hak van de schoen op de pedaal komt. Kinderen moeten de voeten op de grond kunnen zetten. Voor volwassenen kan de zadelhoogte ook als volgt worden berekend: de binnenbeenlengte vermenigvuldigen met 1,08. Neem deze lengte als afstand tussen de bovenkant van het zadel en het midden van de pedaalas. De crank (trapperarm) moet daarbij in het verlengde van de zitbuis staan. Zadelpennen moeten uit veiligheidsoverwegingen wel altijd ten minste vijf centimeter in het frame blijven steken.

2. De lengte van de onderarm, van elleboog tot het topje van de middelvinger, plus twee vingers breed, moet tussen het zadelpunt en het stuur passen.

3. De knieschijf moet zich loodrecht boven de as van de trapper bevinden als de crank horizontaal staat. Triatleten en ligfietsers hanteren deze regel niet.

4. De zitbotten van vrouwen staan gemiddeld bijna drie centimeter verder uiteen dan bij mannen. Een speciaal dameszadel compenseert dat verschil. Het is een misverstand dat vrouwen langere benen hebben dan mannen en een andere afstelmethode voor de fiets dienen aan te houden.

5. De juiste framemaat is de beenlengte (binnenkant van het been, van de lies tot aan de grond, zonder schoenen) min 25 centimeter. ATB's en citybikes hebben een extreem klein frame. Hiervoor geldt: de gevonden maat min vijf centimeter.

6. De bovenkant van het stuur staat op gelijke hoogte als van het zadel.

Bron: ANWB Ledenwijzer 'Fiets en vrije tijd' en Fietskoopgids '97