Klaagzang van twee heren

De oude rotten Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) en Pronk (Ontwikkelings- samenwerking) zijn allebei minister, en ook nog op hetzelfde departement. Dat zij van mening verschillen over hun onderscheiden competenties en budgetten kwam gisteren onverbloemd naar buiten.

DEN HAAG, 25 FEBR. Potasch en Perlemoer? Dat is misschien overdreven. Toch is het een wat tragikomisch duet dat de twee politieke senioren van het kabinet-Kok zingen in hun dubbelinterview in het maartnummer van het blad Internationale Samenwerking.

Ze zitten samen, drie maanden voor de Kamerverkiezingen, lacherig en ontspannen te klagen over elkaar en over hun competentieproblemen. Ze klagen soms ook over de weerbarstigheid van hun werk. En ze geven elkaar tot slot een knipoog met de verzekering dat ze hun ministersposten straks desnoods wel willen ruilen. Kwast goed, meneer?, zou de ouderwetse kapper vragen. Staatsrechtelijke aartsvaders als wijlen Oud en Donner zouden iets anders hebben gevraagd: hoe hebt ge het met de eenheid van het regeringsbeleid, heren?

De beide ministeriële oldies zitten sinds 1994 op één departement, Buitenlandse Zaken. Hans van Mierlo, ruim dertig jaar geleden mede-oprichter van D'66, de partij die het Nederlandse politieke bestel wilde opblazen, geldt zelfs als architect van de paarse coalitie. Een coalitie met PvdA en VVD die moeilijk als een monument van de ooit begeerde politieke 'duidelijkheid' kan worden gezien. Jan Pronk, de andere veteraan, en al een vaste representant van de PvdA-linkervleugel toen collega Melkert (Sociale Zaken) nog PPR-lid was, begon in 1994 aan zijn derde periode als minister op Ontwikkelingssamenwerking. Ooit, in 1973, debuteerde hij daar als 33-jarig lid van het kabinet-Den Uyl, als de taaie zeloot, Hollandse wereldreiziger en geduchte dossierkenner die hij ook vandaag nog is.

Najaar 1995 begon officieel de herijking van het Nederlandse buitenlandse beleid, die wel is getypeerd als de grootste operatie op dit gebied van na de Tweede Wereldoorlog (“de grootste Haagse stoelendans”).

Pagina 2: Vervolg DUET; 'Wie betaalt bepaalt' leidt tot controverse

DUET

Bedoeling was om - na het einde van de Koude Oorlog en de Europese deling - het beleid van de meest betrokken ministeries in een veranderde en globaliserende wereld beter te integreren. Dat moest onder meer zijn beslag krijgen door hun ambtelijke apparaten meer te verweven, met de minister van Buitenlandse Zaken in een coördinerende hoofdrol. Dat er met deze herijking wat is misgegaan, en dat de minister van Ontwikkelingssamenwerking met zijn grote zak geld nog steeds erg vaak - of misschien wel: nog meer dan vroeger - zijn eigen baas is, wordt in Den Haag inmiddels alleen nog officieel betwist.

Wat heet officieel betwist? Als iets opvalt in het dubbelinterview in Pronks maandblad, is het wel dat Van Mierlo in feite zelf erkent dat hij de afgelopen jaren qua competentie terrein heeft verloren aan Ontwikkelingssamenwerking. Er staat bijvoorbeeld namens hem niet voor niets boven het interview: “Ik wil Afrika terug in de sfeer van Buitenlandse Zaken.” Terug? In de Tweede Kamer is al eens spottend opgemerkt dat premier Kok minister van Buitenlandse Zaken is voor Europa, Pronk idem voor Afrika en Van Mierlo idem voor Suriname. Die grap kwam uit het CDA en was niet eerlijk, maar niettemin veelzeggend.

Wie Van Mierlo vorige maand, terwijl zijn partij in Nederland in brand stond en de voortzetting van zijn ministerschap praktisch al verkeken leek, in middelmatig democratische landen als Oeganda en Ethiopië als een soort plaatsvervangende Pronk allerlei vluchtelingencentra, waterputten en landbouwprojecten zag bezoeken, kon niet aan de indruk ontkomen dat die grap hard was aangekomen. Al is Van Mierlo's stelling te begrijpen dat Nederland ook in zijn buitenlands beleid de vruchten moet zien te plukken van de goede reputatie die het als hulpverlener heeft, zij het dat daar tegenover het aan zekerheid grenzende vermoeden staat dat machthebbers in zulke Afrikaanse landen in wezen slechts belangstelling hebben voor Pronks gevulde buidel. En vertogen van Nederlandse ministers van Buitenlandse Zaken (graag meer democratie en meer eerbied voor mensenrechten alstublieft) liefst vriendelijk op de koop toe nemen.

Terug naar de herijking, en vooral naar de voorbereiding daarop. Van Mierlo had de competentieslag met (vooral) Pronk en anderen eigenlijk al verloren voordat die herijking goed en wel begonnen was. In de voorbereiding liet Van Mierlo het immers zelf na om de toenmalige aanslagen van de budgettair sterke Pronk op zijn coördinerende bevoegdheden af te weren. Meer nog: hij wilde die bevoegdheden destijds niet eens steviger laten vastleggen. Op zijn ministerie zei hij destijds tegen zijn ambtenaren die hem daarvoor waarschuwden: “Dan lijkt het alsof het om mijn macht gaat”.

Die ambtenaren zullen dezer dagen wel grimlachen nu zij lezen dat Van Mierlo in de komende kabinetsformatie wil afspreken dat hij een grotere say voor Buitenlandse Zaken krijgt op terreinen waar via het budget van Ontwikkelingssamenwerking realiter aan buitenlandse politiek wordt gedaan.

Oktober 1994 schreef de huidige voorzitter van de CDA-fractie in de Tweede Kamer, Jaap de Hoop Scheffer, vroeger diplomaat, vroeger D'66'er en vroeger secretaris van enkele ministers van Buitenlandse Zaken, in de Internationale Spectator over de toentertijd aanstaande herijkingsoperatie dat zij niet mocht leiden “tot de situatie dat de bewindsman met voldoende financiële middelen (Ontwikkelingssamenwerking) onder het motto 'wie betaalt bepaalt' beslissingen neemt die zijn voorbehouden aan de minister van Defensie (altijd te weinig geld) of van Buitenlandse Zaken (helemaal geen geld)”.

De Hoop Scheffer zal er de verkiezingen dadelijk niet mee winnen, maar zijn gelijk heeft hij deze week alvast een beetje gekregen. En wel van de twee beste kroongetuigen: de ministers Van Mierlo (“ik wil meer invloed”) en Pronk (“maar ik wil niets kwijt”). Misschien wordt het probleem straks “opgelost” door de kiezers. Dat zou kunnen gebeuren als die de VVD zó groot maken dat zij de door haar gewenste afschaffing van een ministerspost voor Ontwikkelingssamenwerking er in de formatie kan doordrukken. Althans: dan wordt dat probleem onzichtbaar, doordat het naar de ambtelijk-diplomatieke loopgraven verdwijnt.

Mooi zijn ook nog de volgende woorden van Van Mierlo uit het dubbelinterview: “Met de herijking is ook de inhoud van het beleid een nieuwe richting ingeslagen. Bijvoorbeeld van een Atlantische veiligheidsopvatting naar een meer Europese.” Dat zegt dan de minister die een klein jaar geleden met het Verdrag van Amsterdam de afwezigheid van een gemeenschappelijk Europees buitenlands- en veiligheidsbeleid (GBVB) moest protocolleren. En die dezer dagen nog zijn teleurstelling uitsprak over de Europese verdeeldheid in de kwestie-Irak. Ook wat dat betreft lijkt het 'Potasch en Perlemoer-gehalte' van dat ongewone dubbelinterview aanzienlijk.