Doctrine in ontwikkeling

NEW YORK. De president en de secretaris-generaal hebben veel redenen om elkaar dankbaar te zijn. Zelden is een vredesmissie van de Verenigde Naties zo snel met zo'n mooi resultaat besloten. Kofi Annan, gisteren als een held in het gebouw van de VN ontvangen, heeft zijn reputatie als internationaal vredestichter gevestigd, maar dat niet alleen.

Hij heeft onmiddellijk en duidelijk laten blijken dat hij weet waaraan hij het succes heeft te danken: aan de Amerikaanse machtsontplooiing in de Golf en de overtuigende manier waarop Clinton had aangekondigd, geweld te gebruiken als de vredesmissie zou mislukken. Daarmee heeft hij dus in het Iraakse vraagstuk impliciet gekozen voor een beleid dat in laatste aanleg geweld niet uitsluit, want een politiek die tot de rand van de oorlog gaat verliest iedere zin als de zekerheid ontstaat dat het daarbij zal blijven.

In Washington mag men Annan dankbaar zijn omdat hij de Amerikanen de hachelijke onderneming van de militaire interventie heeft bespaard. Behalve de militaire macht ontbrak het de president aan vrijwel alles om de voorgenomen beperkte oorlog in politiek opzicht tot een goed eind te brengen. De publieke opinie is diep verdeeld, de Fransen en de Russen waren tegen, de Arabische bondgenoten van zeven jaar geleden lieten het afweten en de andere, behalve de Britten, hebben juist zoveel solidariteit betuigd als nodig was om vriendschappelijk beleefd te blijven. De 'wereldopinie' is een vaag en twijfelachtig begrip. Maar nergens was enige bijval, laat staan geestdrift veroorzaakt door televisiebeelden van 'slimme bommen' die in schoorstenen verdwenen. En dan: de actie zelf, zoals die op papier stond, had geen goed omschreven doel. Was het mogelijk alle Iraakse wapens voor massavernietiging plus de fabrieken uit te schakelen? Nee. Was het de bedoeling, Saddam persoonlijk met een bom te treffen? Evenmin uitdrukkelijk. Wat dan zou zijn overgebleven was een soort strafexpeditie die een golf van anti-Amerikanisme zou hebben veroorzaakt, terwijl de vijand hoogstens beschadigd maar niet verslagen zou zijn. Politiek beschouwd een zeer oneconomische onderneming.

De missie van Kofi Annan heeft dit alles voorkomen. Daarmee is dan misschien een nieuwe fase van het vraagstuk-Irak aangebroken. Vrijwel zeker zal Saddam de wapeninspecteurs opnieuw gaan hinderen. Na het getekend akkoord met de secretaris-generaal rust nu op de VN een zwaardere verplichting om zich dit niet te laten welgevallen. De president heeft intussen meer tijd en argumenten om zijn thuisfront te versterken en potentiële buitenlandse vrienden te overtuigen. Het beste bewijs van zijn gelijk is het resultaat, samen met Annan behaald: door dreiging met geweld zonder het te gebruiken is Saddam vermoedelijk zwakker uit de confrontatie tevoorschijn gekomen dan wanneer er wel twee tot drie weken was gebombardeerd.

Is nu - zoals Bernard E.Taylor, generaal b.d. en auteur van een boek over de Golfoorlog, in Newsweek heeft geopperd - een halve eeuw na de Truman-doctrine de afgelopen week de Clinton-doctrine geboren? De strekking van de Truman-doctrine was dat iedere natie die door het communisme werd bedreigd, door de Verenigde Staten moest worden gesteund. In de Amerikaanse buitenlandse politiek bestaat al jaren het begrip rogue nation, dat is een natie die terroristen kweekt en herbergt. Toen Libië verantwoordelijk werd gehouden voor de aanslag op een Berlijnse disco waarbij Amerikaanse soldaten het leven lieten, volgde in april 1986 een bombardement op Tripoli. (De vliegtuigen, opgestegen in Engeland, mochten niet door het Franse luchtruim). Rogue nations zijn Noord-Korea, misschien nog Iran en Cuba. Het hangt ervan af hoe ze zich gedragen.

Gaandeweg heeft het begrip een andere inhoud gekregen. Het gaat er niet meer alleen om dat een land internationaal terrorisme bevordert. Ook door het maken van wapens voor massavernietiging - atoombommen, bacteriologische en chemische wapens - kan een land zich tot rogue nation maken. Het is nog niet vertoond, maar het wordt denkbaar geacht dat een dictator van het type Saddam zo'n wapen zal gebruiken, hetzij als chantagemiddel, hetzij daadwerkelijk. Als er dan een 'internationale gemeenschap' of een wereldorde bestaat, heeft die de plicht, dit gevaar in de kiem te smoren. Vandaar deze nieuwe interventie in de Golf, die dus niet meer dient om een land in zijn soevereiniteit te herstellen, maar om in het belang van de wereld de zwaarste internationale terreur te voorkomen: de Clinton-doctrine.

Dat is niet volkomen nieuw. De Israeliërs hebben in 1981 al eens een Iraakse fabriek voor kernwapens verwoest. Dat was hun directe nationaal belang. Het is een consequent nagestreefd doel van de Amerikaanse buitenlandse politiek om overal het bezit van kernwapens te bestrijden en te ontmoedigen. Maar met deze onderneming gaat Washington een stap verder op de weg van het welbegrepen eigenbelang door wereldbeveiliging. De eenvoud van het prijzenswaardig doel botst met de complicaties van de uitvoering, zoals de afgelopen week is gebleken. De diplomatie zou zonder de bijstand van Kofi Annan niet op de hardheid van een militaire ingreep zijn berekend. Als er een Clinton-doctrine zou zijn dan hoorde die uit twee delen te bestaan: de bereidheid tot militaire interventie en daaraan voorafgaand het vestigen van een ruime internationale overtuiging dat per slot van rekening de wereld daarmee het best af zou zijn.

Wat nu, na deze week overblijft, is de voortzetting van een beproefde politiek: die van containment, de ongewenste elementen binnen de nauwste perken houden, tot ze aan hun eigen grootheidswaan bezwijken. Als een nieuwe fase in het Iraakse vraagstuk is aangebroken dan bestaat die hierin dat de VN de bondgenoot van de Verenigde Staten in het containment zijn geworden.