Democratie mag meer geld kosten

Gerard Bos is voorzitter van de afdeling Leiderdorp van D66. Partijen hebben steeds meer moeite met het vinden van kandidaten voor de gemeenteraad. Het raadslidmaatschap kost veel tijd en biedt weinig aanzien. Zo begon het op 19 februari in de bijlage Profiel verschenen artikel van Danielle Pinedo over de problematiek van het verkrijgen van goede (kandidaat-)gemeenteraadsleden. Deze ontwikkeling staat in schril contrast met de steeds groter wordende rol die door de centrale overheid wordt toegedacht aan de gemeente en de schaalvergroting van de gemeenten. Een groeiend aantal taken worden naar de gemeenten overgeheveld, zoals onderwijs.

Dat betekent dat juist behoefte bestaat aan meer gekwalificeerde raadsleden dan één of twee generaties terug, toen in kleine gemeenten veelal kleinere onderwerpen aan bod kwamen. De vraag is of het raadslidmaatschap dan ook nog langer uitsluitend door vrijwilligers kan worden vervuld. Ook al wordt vier avonden per week vergaderd, dit leidt er niet toe dat raad in de praktijk een rol van betekenis speelt. En met uitsluitend vergaderen ben je er nog lang niet. Raadsleden zijn doorgaans niet in staat zo invulling te geven aan de functie als verwacht mag worden: het opbouwen van een goede relatie tussen burger en bestuur. Daarvoor moet een raadslid ook in de gelegenheid zijn tijdens kantoortijd contact te leggen met betrokkenen in de gemeente, om zelf goed geïnformeerd te zijn. Alleen het lezen van ambtelijke stukken is onvoldoende een voor adequate controle op het bestuur. Aan eigen actieve bijdragen komen raadsleden al helemaal niet toe.

Om al die redenen heeft het D66-congres, op voorstel van de afdeling Leiderdorp, voorgesteld om verandering te brengen in de positie van raadsleden. Raadsleden dienen een aantal dagdelen per week vrijgesteld te kunnen worden voor politieke werkzaamheden. De eventuele werkgever ontvangt voor deze gederfde arbeidstijd een passende vergoeding. Zo kan een belangrijke stap worden gezet in de richting van een volwaardige invulling van het raadslidmaatschap.

In dezelfde bijlage staat een al welhaast even sombere analyse over de positie van de wethouder. “De kwaliteit van de wethouders neemt af, terwijl de functie zwaarder wordt”, zo tekent Kees van der Malen op. Ook voor de positie van de wethouder geldt dat er omstandigheden zijn die maken dat betwijfeld moet worden of de goede persoon wel op de goede plek komt. Uit de onder burgemeesters uitgevoerde enquête blijkt dat dezen van mening zijn dat 60 procent van de wethouders zwak of middelmatig functioneert. Een onacceptabel hoog aantal. Voor de positie van wethouder is de factor tijd waarschijnlijk niet in de eerste plaats verantwoordelijk, zoals dat voor raadsleden geldt. In de meeste gemeenten is immers sprake van een vrijwel volledige dagtaak, die niet te combineren valt met een andere functie.

En daar wringt nu de schoen. Want voor kleinere gemeenten is het wethouderssalaris misschien wel goed te noemen, maar toch blijkt dat voor veel geschikte kandidaten het aanvaarden van een wethoudersfunctie een flinke achteruitgang in inkomen betekent. Daardoor komt niet altijd de goede persoon op de goede plek. Dat is een ontwikkeling die het gemeentelijk bestuur en de burgers niet verdienen.

Daarom heeft D66 in haar partijprogramma laten opnemen dat de functiewaardering van wethouders moet worden herzien. Als een kandidaat in een eerdere functie meer verdiende, dient het salaris op individuele gronden te worden aangepast. Niet omdat geld het uitgangspunt is, maar omdat het gaat om een krachtig gemeentelijk bestuur, met de goede persoon op de juiste plek. Onze democratie kan het zich niet veroorloven dat de posities van raadsleden en wethouders verder worden uitgehold. Het imago van deze functies is aan een flinke herwaardering toe en dat mag en dat moet gepaard gaan met een meer professionele invulling van deze functies.