De staat heeft een eigen taak

J.D. Dengerink is emeritus-hoogleraar wijsbegeerte te Utrecht en Groningen. Het neoliberalisme grijpt steeds verder om zich heen. Dankzij de terugtredende overheid krijgt het bedrijfsleven steeds meer ruimte en dat leidt ertoe dat de staat zijn rol verliest. J.D. Dengerink vindt dat een gevaar voor de vrijheid van de burger.

Aan het proces van industriële en financiële machtsconcentraties schijnt geen einde te komen. Zoals we bijna dagelijks kunnen lezen, gaat in het bedrijfsleven de bouw van torens van Babel, zowel figuurlijk als letterlijk, in versneld tempo door, met alle gevolgen van dien. Reeds eerder werd op deze pagina gewezen op de volstrekt autocratische wijze waarop deze concentraties plaatsvinden en op de totalitaire trekken die zij vertonen. Machtsconcentraties vormen zo een bedreiging voor een onafhankelijk optredende staatsoverheid, voor niet-economisch gekwalificeerde verbanden, en voor de vrijheid van de burgers.

De overheid komt daarmee steeds meer in een defensieve positie. Zij heeft daaraan ook zelf bijgedragen, door zonder inhoudelijke criteria over te gaan tot de verzelfstandiging en privatisering van allerlei overheidsdiensten en bedrijven. Zo heeft de overheid zichzelf beroofd van belangrijke instrumenten voor de ontwikkeling van een integraal, op het algemeen belang gericht politiek beleid.

Hoewel zich nu negatieve symptomen van dit doorgeschoten liberaliseringsproces beginnen te vertonen en daar van tijd tot tijd ook stemmen tegen worden gehoord, zijn er nog geen tekenen dat deze praktijk aan zijn einde gekomen is. De 'ontstatelijking' van de staat dreigt nog steeds voort te gaan, met alle gevolgen voor de democratie.

De ontstatelijking kan zich behalve in verzelfstandiging of privatisering ook voordoen in een gemengde vorm. Te denken valt aan de onlangs weer met grote nadruk door ABN Amro bepleite publiek-private-samenwerking. Ook de minister-president sluit deze mogelijkheid niet bij voorbaat uit.

Volgens ABN Amro is het gewenst te komen tot de oprichting van Infra Beheer Nederland (IBN). Daarin zouden de overheid en de particuliere sector, zeg het bedrijfsleven, moeten gaan samenwerken bij de voorbereiding, uitvoering en financiering op het gebied van de infrastructuur. Hierbij wordt niet alleen gedacht aan bepaalde projecten als de Betuwelijn en de Tweede Maasvlakte. Veeleer wil de bank dat IBN het beheer krijgt over de aanleg van alle wegen en spoorbanen in Nederland, alsmede over de kantoor- en industrieterreinen.

Opvallend is dat de vraag naar de verantwoordelijkheden in deze structuur niet gesteld wordt. Dat zou ook niet kunnen, gelet op de volstrekte tweeslachtigheid van het idee. Blijkbaar heeft de bank een soort besloten vennootschap op het oog. Dat betekent dat, indien IBN werkelijkheid zou worden, de minister voor Verkeer en Waterstaat voor een belangrijk deel van zijn bevoegdheden zou worden beroofd. Ook zou elke politieke controle onmogelijk worden, hoewel het hier om zaken van fundamenteel, publiek belang gaat. IBN dreigt een staat in de staat te worden.

Vergelijkbare problemen doen zich voor bij de verzelfstandiging en mogelijke privatisering van Schiphol. In en direct rondom de luchthaven komen zoveel onderling tegengestelde belangen samen, dat het onverantwoord is dit bedrijf in particuliere handen te stellen. Er zijn onmiskenbaar publieke belangen in het geding, ter bescherming waarvan niet met het stellen van randvoorwaarden kan worden volstaan. Maar de ministers van Justitie en Verkeer en Waterstaat schijnen dit niet te beseffen. Zij stellen zelfs voor om de luchthaven zelf met de uitvoering van veiligheidscontroles te belasten.

Zo ontstaat geleidelijk een staat in de staat, die echter - naar geactualiseerd middeleeuws model - in handen is van een privé-vorst: de naamloze vennootschap. En deze staat kan blijkbaar weer verkocht worden aan de meest biedende en eventueel via witgewassen geld in handen komen van de mafia of anders langs een omweg van Bouterse en de zijnen. Dat zou voor hen de handel in drugs en mensen aanzienlijk makkelijker maken.

In dit perspectief moet ook de privatisering van het openbaar vervoer worden bezien. De gelukkige omstandigheid doet zich voor dat de minister van Verkeer en Waterstaat enkele malen op haar weg is teruggefloten. Dat geeft tijd voor bezinning. Daarbij zal men zich niet kunnen beperken tot het deelprobleem, hoe belangrijk ook, van de OV Jaarkaart en de prijzen van de kaartjes. Er is een grondiger aanpak nodig. Daarbij moet ook gekeken worden naar de ruimtelijke ordening, de spreiding van bedrijfsleven en bevolking, de bereikbaarheid van dunner bevolkte gebieden, mobiliteit en het natuurlijk milieu.

Men is het daarover waarschijnlijk wel eens. Maar een door het neoliberalisme gedreven politiek geeft daaraan niet genoeg aandacht. De minister van Verkeer en Waterstaat heeft nog steeds privatisering hoog in het vaandel staan. Zij geeft daarin, mogelijk onbewust, een eerste aanzet tot de verbrokkeling van een systeem dat in de nu aflopende eeuw met veel zorgvuldigheid is opgebouwd.

Het gevolg is regressie in plaats van progressie. Gelet op de problemen kan de overheid zich dat eigenlijk niet veroorloven. Er kan beter een nog hechter geïntegreerd openbaarvervoerssysteem worden ontwikkeld, waarin trein-, streek- en plaatselijk vervoer zoveel mogelijk op elkaar zijn afgestemd. Een systeem ook waarin de financieel sterkere onderdelen de lasten van de zwakkere meedragen, en waarin winst niet toevloeit naar in de zaak als zodanig niet geïnteresseerde aandeelhouders, maar besteed wordt aan de verbetering van de dienstverlening.

Bij de infrastructuur van weg-, lucht- en waterverkeer moet verder worden gekeken dan de nationale grenzen. Er is een aanpak in Europees verband nodig, niet alleen voor de hogesnelheidslijnen, maar ook voor de spreiding van het bedrijfsleven en het luchtverkeer.

Hieraan moet nog worden toegevoegd dat luchthavens, openbaar vervoer en vergelijkbare instellingen in de aangegeven gedachtegang bedrijven blijven. Als zodanig kunnen zij niet worden ingelijfd bij de overheidsdiensten. Er moet afstand blijven ten opzichte van de centrale bestuursorganisatie, zonder dat ze los van de overheid komen te staan. Daartoe moeten ze onder door de regering te benoemen, sterke, deskundige, onafhankelijke raden van toezicht komen, die op hun beurt tot taak hebben regelmatig rapport aan de overheid uit te brengen. Zo zal de overheid haar beleid kunnen bepalen en de publieke zaak op verantwoorde wijze kunnen dienen zonder bedrijfsblind te worden.

Een door het liberalisme geïnspireerde politiek kan, zoals uit deze voorbeelden blijkt, bedenkelijke gevolgen hebben. Ook op andere terreinen kunnen tekortkomingen gaan optreden: sociale verzekeringen, gezondheidszorg, thuiszorg. Het gaat daarin om meer dan op zichzelf staande deelproblemen. De fundamentele vraag is: wat is de eigen plaats en taak van de staat als gemeenschap van overheid (overheden) en medeverantwoordelijke staatsburgers temidden van allerlei andere, private verbanden en maatschappelijke relaties?

Het is niet eenvoudig tot een zinvol antwoord op deze vraag te komen in een tijd waarin de zogenaamde zakelijkheid en een pragmatistische tijdgeest overheersen. Er is een fundamentele herbezinning nodig. De overheid moet meer zijn dan een hekkensluiter, de instantie die de voorwaarden schept om de mensen zelf hun vraagstukken te kunnen laten oplossen, het orgaan dat ruimte schept. Het publieke belang - de res publica, het bonum commune - heeft een geheel eigen, onvervreemdbare waarde temidden van en naast de veelsoortige, private belangen. De staatsgemeenschap heeft een zelfstandige bijdrage te leveren aan de opbouw van een verantwoordelijke samenleving. Zowel burgers als allerlei verbanden moeten daarin niet alleen zichzelf, maar naar eigen aard en mogelijkheden ook anderen willen dienen.