Boete geëist tegen uitgever 'Sterfboek'

Voor de rechtbank in Amsterdam diende gisteren de rechtzaak van de erven van schrijver W.F. Hermans tegen uitgever T. Luiken. Volgens Luiken plegen de erven Hermans 'terreur' tegen iedereen die zich met de schrijver bezig houdt.

AMSTERDAM, 25 FEBR. “Het kan niet zo zijn dat Hermans' werk na zijn dood vogelvrij is,” zei mr. S. Klos, advocaat van de familie Hermans, gisteren in zijn pleidooi voor de Amsterdamse rechtbank. De erven van schrijver W.F. Hermans spanden in 1996 een rechtszaak aan tegen uitgever Tonnie Luiken, wegens schending van het auteursrecht in het eind april 1996 verschenen Sterfboek. Deze afscheidsuitgave van Luikens WFH-verzamelkrant was bedoeld als eerbetoon aan de in 1995 overleden schrijver, en bevat naast beschouwingen van verschillende auteurs ook fragmenten van het werk van Hermans, waaronder nog niet eerder gepubliceerde gedichten, collages, tekeningen en in facsimile afgedrukte brieven. Omdat door mevrouw Hermans geen toestemming werd verleend voor deze publicatie, was er volgens haar sprake van schending van het auteursrecht. Zij liet daarom op 3 mei bij vijf boekhandels beslag leggen op zeventien exemplaren van het Sterfboek. Ook bij drukkerij 'De Brandweervrouw' en Tonnie Luiken thuis werden exemplaren in beslag genomen.

Mevrouw Hermans was gisteren niet aanwezig op de rechtszitting. In zijn pleidooi stelde mr. Klos dat de fragmenten in het boek geen citaten zijn, omdat een citaat ondergeschikt is aan het hoofdbetoog, en daarmee een inhoudelijk verband moet hebben. Er is volgens hem verschillende malen sprake van 'zelfstandige exploitatie' van het werk van Hermans, waarbij de gerechtvaardigde omvang van het citaat overschreden wordt en er geen duidelijke inhoudelijke relatie is met de rest van de tekst. Luiken brak volgens Klos met de publicatie van het Sterfboek een overeenkomst uit 1993. Hermans spande toen een kort geding aan tegen de WFH-verzamelkrant omdat daarin, zonder zijn toestemming, een brief van hem was gepubliceerd. Uiteindelijk trof hij een schikking met Luiken, die duizend gulden moest betalen. Mr. Klos eist nu een boete van ƒ 25,- per gedrukt exemplaar op een oplage van 300 exemplaren (in de winkel kostte het boek ƒ 32,50), en inzage in Luikens boekhouding.

“Het Sterfboek verscheen in een beperkte oplage en was slechts bedoeld voor een kleine groep liefhebbers,” was het verweer van Luikens advocate mr. N. Bogtstra. Er was dus geen sprake van winstbejag. Daarnaast trok ze in twijfel of de erven Hermans werkelijk schade hebben geleden door de publicatie van boek, en achtte ze de hoogte van de geldboete onbegrijpelijk hoog. Luiken, die al jaren van een bijstandsuitkering leeft, zal volgens haar de de boete nooit kunnen betalen. Ze voerde ook aan dat Luiken verminderd toerekeningsvatbaar was toen hij aan het boek werkte: de manisch-depressieve Luiken was destijds onder behandeling in de Valeriuskliniek. Ze betuigde spijt namens Luiken, het was nooit zijn bedoeling geweest de erven Hermans te kwetsen.

Luiken zelf zei dat er altijd een goede verstandhouding was geweest tussen Hermans en hem. Hermans zou zelfs nog op zijn sterfbed tegen zijn vrouw gezegd hebben: 'Als die Tonnie Luiken weer eens wat publiceert, maak je daar dan maar niet druk om, dat doe ik ook niet'. Mevrouw Hermans had hem echter steeds gedwarsboomd. In het Sterfboek beschuldigt hij haar ervan dat zij het biografisch onderzoek tegenwerkt. Luiken sprak tijdens de rechtszaak van de 'terreur' van de erven tegen iedereen die zich met Hermans bezighoudt, hijzelf was geïntimideerd met 'dreigbrieven' van mr. Klos. Mr. Klos onderbrak zijn verhaal omdat hij de woorden van Luiken beledigend vond. “Er is helemaal geen sprake van een heksenjacht van de kant van de familie Hermans, en dat Hermans aan Luiken toestemming zou hebben gegeven om na zijn dood te doen wat hij wil is een waandenkbeeld”. Dat er bij Luiken niets te halen valt zou geen invloed op het vonnis mogen hebben, vond hij. Uitspraak 22 april.