Vriendschap bestaat niet in 'Mojo'

Voorstelling: Mojo, van Jez Butterworth, door het RO Theater. Regie: Koos Terpstra. Vertaling: Oscar van Woensel. Vormgeving: Elly Op 't Land. Gezien: 21/2 RO Theater, Rotterdam. T/m 28/3 aldaar; op 25 en 26/2 in het Rotterdamse Nighttown. Verder in Amsterdam, Leiden en Groningen; Inl. (010) 404 68 88.

Sommige mensen vinden geweld erg grappig. Maar ook zonder er een fan van te zijn kan men er op het toneel best een komedie van maken. Voor wie een ruig publiek wil bereiken is de komedievorm misschien wel ideaal: met humor krijg je een zaal doorgaans eerder op je hand dan met saaie boodschapperigheid.

In Engeland werken jonge schrijvers als Irvine Welsh, Mark Ravenhill, Sarah Kane en Jez Butterworth volgens zo'n humor-formule. Geestig, virtuoos en fel reageren zij op de wereld - en het publiek lust er pap van. Welsh's roman Trainspotting kreeg vóór de film een succesvolle toneelbewerking en Butterworth's dramadebuut Mojo werd direct na de première in 1995 bedolven onder de prijzen.

Koos Terpstra regisseert Mojo nu bij het RO Theater, met een danceparty na afloop en extra voorstellingen in de poptempel Nighttown. Kennelijk probeert het RO Theater op die manier de Rotterdamse straatjeugd naar Mojo te lokken, en terecht: Butterworth's stuk gáát immers over die jeugd, zij het in het Londen van 1958.

Daar zwaait een zekere Ezra de scepter over de dansclub Atlantic. Goede zaken doet hij vooral met Silver Johnny, een zeventienjarige rocker in glitter-outfit die de meisjes hartverzakkingen bezorgt. Ook een ander aast op Silver Johnny: de mafiose promotor Sam Ross. Met Ezra sluit hij een deal - maar belangrijker dan de mannen aan de top zijn in dit stuk de jongens aan de onderkant, de vloerenvegers, de pillenverkopertjes, de manusjes-van-alles.

Ezra's loopjongens Sweets en Potts verheugen zich enorm op hun aandeel in het handeltje met Silver Johnny. Wat zij in het begin nog niet weten is dat hun makker Mickey al afspraken met Sam Ross gemaakt heeft. Samen met Ezra's zoon Baby en de nondescripte Skinny wachten ze hun kansen af. Waarbij ze elkaar het licht niet in de ogen gunnen. De mens die de mens een wolf is: Koos Terpstra kent dat thema als geen ander. Hij schreef er zelf stukken over, zoals De Troje Trilogie en Zweet.

Terpstra, een leerling van de maatschappijkritische theatermaker George Tabori, vertoont in zijn ensceneringen weleens didactische trekjes. Mojo heeft daar goddank geen last van. Pas na het verlaten van het theater besef je dat de regisseur het net als de schrijver gemunt heeft op het hedendaagse kapitalisme: door de genadeloze concurrentiestrijd, lijkt Terpstra te willen zeggen, zijn vriendschap en collegialiteit verworden tot een farce.

De jongens van Atlantic zijn aardig voor elkaar als zij daar wat aan denken te hebben. Ze kiezen de kant van degene die op dat moment de sterkste lijkt, en zo aanbidden zij nu eens Mickey en dan weer diens vijand Baby. Opportunisten zijn het, lafaards, rotzakken. Net als Sam Ross en al die andere bazen in de grote boze buitenwereld aan wie zij een voorbeeld nemen - alleen spelen Sweets en Potts, Skinny, Mickey en Baby het spel wat minder slim. Ze misrekenen zich nogal eens en denken maar één zet vooruit. Ze hebben zichzelf slecht in de hand, plegen onvoorzien een paar moorden en komen voor zover ze de slachtingen overleven berooider uit de strijd dan zij erin gingen. Cees Geel, Rogier in 't Hout, Geert Lageveen, Frank Lammers en Leopold Witte zetten deze op winst beluste verliezers met overdonderende vaart en verve neer.

Oscar van Woensel, die voor Toneelgroep Amsterdam een bijzonder grofgebekte Herkules schreef, leefde zich ook bij het vertalen van Mojo uit in een overvloed aan seksueel geladen krachttermen. De fokkerdefoks, kankerkutten en fuckerbuffers gaan met elkaar een wedloop aan; ze botsen tegen elkaar op, vallen over elkaar heen en overlappen elkaar, zodat soms alleen nog maar een brei van klanken het oor van de toeschouwer bereikt - aangevuld met muziek. Geen rock-'n-roll trouwens, geen jaren vijftig-nostalgie, maar onbestemde jaren negentig-rommel gecomponeerd door Wim Selles.

Modieus is het zeker, dat verengelste straat-Nederlands van Van Woensel, en hier en daar verdenk ik hem ervan de Vlaming Tom Lanoye te willen imiteren. Maar je kunt de ontspoorde jongeren van Jez Butterworth nu eenmaal moeilijk ABN in de mond leggen. En toegegeven: het ritmische gescheld, getier, gekuip en gekonkel klinkt even lekker als een discodreun. Ja, dat vormingstheater ook lekker kan zijn - daar zal alleen de verstokte moralist over zeuren.