Van Mierlo en Pronk in conflict

DEN HAAG, 24 FEBR. De ministers Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) en Pronk (Ontwikkelingssamenwerking) zijn het niet eens over de verantwoordelijkheid voor het budget van Ontwikkelingssamenwerking. Volgens Van Mierlo zijn er in Pronks budget (0,8 procent van het bnp) “politieke uitgaven die op de een of andere wijze onder verantwoordelijkheid horen te vallen van de minister van Buitenlandse Zaken”. Hij wil daarover in de komende kabinetsformatie nadere afspraken. Pronk is daar tegen: “De eerste budgettaire verantwoordelijkheid ligt bij de minister van Ontwikkelingssamenwerking, net zoals dat bij andere begrotingshoofdstukken geldt.”

De ministers doen deze en andere botsende uitspraken in een dubbelinterview in het blad Internationale Samenwerking dat later deze week verschijnt. Met hun openlijk uitgesproken meningsverschillen bezorgen zij dit maandblad van Ontwikkelingssamenwerking een dubbele primeur. Want niet alleen nemen zij op een ongewone manier afstand van de eenheid van regeringsbeleid die zij geacht worden te handhaven, ook markeren zij stellige posities voor de komende kabinetsformatie.

Van Mierlo, die voor Buitenlandse Zaken een budget van omstreeks 0,3 procent van het bnp heeft, klaagt bijvoorbeeld over “een scheefgroei in dit departement tussen een grote geldstroom voor ontwikkelingssamenwerking tegenover een kleine geldstroom voor andere zaken”. Zolang dat zo is “zal er in dit departement een spanning zitten”, meent hij. Pronk ontkent dat. “Er is geen sprake van scheefgroei”, zegt hij, “(..) door de reorganisatie hebben we het evenwicht juist versterkt, al zul je de spanning nooit volledig kunnen wegnemen”. Ook over andere kwesties bestaan meningsverschillen. Van Mierlo vindt het onjuist dat hij, wegens verblijf in het buitenland, niet gekend was in het recente besluit om via Ontwikkelingssamenwerking financiële steun te gaan verlenen aan de republiek Srpska, al was hij het op zichzelf met die stap eens.

Pagina 2: Van Mierlo: de politiek, dat is mijn terrein

“Maar het belang schuilt vooral in de politieke betekenis. Dat is mijn terrein”, aldus Van Mierlo, die een vergelijkbaar bezwaar heeft tegen de exclusieve budgettaire verantwoordelijkheid van Pronk voor de steun aan de Palestijnen. “Die is bedoeld om het vredesproces in het Midden-Oosten te bevorderen. En dat valt onder verantwoordelijkheid van de minister van Buitenlandse Zaken”, zegt hij. Pronk: “Daar ben ik het dus niet mee eens”.

Indien Van Mierlo zeggenschap wenst over de besteding van ontwikkelingsgeld wil Pronk “gelijk oversteken” en meer invloed op het buitenlands beleid hebben, zegt hij in het interview, waarin daarna het volgende dialoogje te lezen is: Van Mierlo: “Kijk nou verandert meneer in een handelaar.” Pronk: “We zijn nog altijd met politiek bezig.” Van Mierlo: “Het is nog niet zozeer een zaak tussen ons tweeën. Het idee dat alle 0,8 procent van meneer Pronk is, dat werkt vooral ook op een verkeerde manier door in het ambtelijk apparaat.” Pronk: “Nee.” Van Mierlo: Jawel Jan, dat is waar.” Pronk: “Jij zegt toch ook niet dat je invloed wilt hebben op de begroting van collega Voorhoeve. Je praat er gezamenlijk over en het wordt dus ook een gemeenschappelijk besluit.” Van Mierlo: “Maar Jan, Jan, pas op. Ik bemoei me wel degelijk met Defensie. Vredesoperaties zijn ook een onderdeel van buitenlands beleid.”

Van Mierlo vindt dat de Nederlandse buitenlandse politiek zich “vrijer” is gaan ontwikkelen. Hij zegt in een terugblik op de ruim twee jaar geleden begonnen herijking van het buitenlands beleid dat daarmee “ook de inhoud van het beleid een nieuwe richting is ingeslagen, bijvoorbeeld van een Atlantische veiligheidsopvatting naar een meer Europese”. Pronk is er tevreden over dat er een einde is gemaakt, “zij het niet definitief”, aan het oorspronkelijke uitgangspunt van de huidige paarse coalitie dat “extra geld voor Defensie ten koste ging van Ontwikkelingssamenwerking en omgekeerd”. Daarom had hij kort geleden “een “voorschotje genomen door te zeggen dat de defensie-uitgaven niet omlaag moeten” en daarmee “afstand genomen van het programma van mijn eigen partij” (de PvdA).

Oneens blijken Van Mierlo en Pronk het in het interview ook over Nederlandse wapenexporten. Pronk meent dat Nederland in het geheel geen wapens zou moeten produceren of exporteren. Hij klaagt over “de beslissing om wapens te leveren aan Tsjaad, waarbij ik niet was ingeschakeld en ambtelijke, procedurele afspraken werden geschonden, daarna de tanks voor Botswana, dat soort dingen ziekt door. (..) Omdat ik geen beslissingsbevoegdheid heb, wil ik maximale invloed en dus maximale informatie, tijdig, over alles wat er speelt. Anders zie ik onvoldoende reden om het mede door mij overeengekomen compromis te continueren”, zegt hij.

Pronk constateert dat er in deze kwesties “een onvoldoende instelling was, ambtelijk, om de politieke betekenis van dat compromis op waarde te schatten en uit te voeren”. Van Mierlo deelt Pronks kritiek op dit punt: “Daar heeft Jan gelijk in”. Wapenleveranties zijn volgens hem “het moeilijkste onderwerp om politiek te hanteren in iedere open democratie”.

Beide ministers rekenen zich tot de “onafhankelijke politici”. Met dien verstande dat Pronk opmerkt dat Van Mierlo's gewoonte “om hardop te denken” hem kwetsbaar maakt al “wordt het zeer gewaardeerd” terwijl “bij mij Kok nogal eens de wenkbrouwen fronst”. Tot slot krijgen de bewindslieden de vraag voorgelegd of zij in een volgend kabinet van plaats zouden willen ruilen. Zij vinden beide hun huidige ministerspost “de leukste” maar zouden overigens liever ruilen dan naar een ander ministerie te verhuizen.