Twijfels over het nut van octrooien; Een tijdelijk monopolie

Een bijna tien jaar durende en emotioneel verlopende discussie over een Europese richtlijn voor het octrooieren van biotechnologische uitvindingen heeft boven alles duidelijk gemaakt dat niet iedereen begrijpt waar octrooien toe strekken. Vooral actiegroepen hebben het klassieke 'monopolie-vraagstuk' opnieuw ter discussie gesteld. Octrooien bestaan al sinds de Middeleeuwen, maar langzaamaan - net als in de vorige eeuw - neemt de twijfel toe over de vraag of industrie en bedrijfsleven er voor hun groei en bloei volledig van afhankelijk zijn.

Toen begin jaren vijftig in de Verenigde Staten het één miljoenste octrooi werd verleend, verwachtte de toenmalige president Truman dat het tegelijkertijd om een van de laatste zou gaan. Hij ging er vanuit dat er bij de actuele stand der techniek weinig meer uitgevonden kon worden. Dat was iets bezijden de realiteit, zo blijkt nu. Alleen al in de VS zijn meer dan vijf miljoen octrooien verleend. Wereldwijd gaat het om een veelvoud. En het einde is bij lange na niet in zicht. Een gerechtvaardigde vraag daarbij is wel wat die octrooien hebben bijgedragen aan de uitvindingen van deze eeuw. De een beweert dat ze de industriële ontwikkeling stimuleren, de ander zegt dat er een remmende werking van uitgaat.

Octrooien hebben er door de eeuwen heen voor gezorgd dat uitvinders ook in financiële zin iets overhielden aan hun vondsten. “De oorspronkelijke gedachte was dan ook dat uitvinders met een materiële prikkel werden aangemoedigd in hun ontdekkingsdrift. Zo wordt de voortgang in wetenschap en industrie gestimuleerd en de hele samenleving heeft daar baat bij”, zegt drs. Johan Renes van Vereenigde Octrooibureaux in Den Haag, Arnhem, Groningen en binnenkort ook in Den Bosch en Amersfoort. Het is een maatschap van octrooi- en merkengemachtigden. Zij vormen de schakel tussen enerzijds personen en instanties die hun geestesproduct (uitvinding, woord of beeld) willen beschermen tegen misbruik en de instanties die die wettelijke bescherming bieden. Dat zijn bijvoorbeeld het Europees Octrooibureau of het Benelux Merkenbureau. De gemachtigde is dus een commercieel dienstverlener die er voor zorgt dat de uitvinding van zijn cliënt de juiste wetsbescherming krijgt.

De redenering dat vooral ook de maatschappij profiteert van octrooien, stamt uit het prille begin van het octrooirecht en is nog altijd actueel. Voor dat begin moeten we terug tot het Italië van de vijftiende eeuw, waar koks bescherming van hun recepten konden vragen. Later werden ze ook verleend aan farmaceutische preparaten. Hand in hand met de industriële ontwikkeling in Europa werd in de achttiende en negentiende eeuw in de meeste Europese landen een octrooirecht ingevoerd, dat overeenkomsten vertoont met het huidige octrooirecht. In Nederland werd daar overigens tussen 1869 en 1912 anders over gedacht. In die periode bestond geen octrooibescherming, omdat de mening heerste dat alles nagemaakt moest kunnen worden. Daar was de technologie het meest mee gediend. Maar daar is de overheid op teruggekomen, zo schrijft F. Gerzon in het boek 'Nederland een volk van Struikrovers? (1986).

“Het octrooi is te beschouwen als een regeling tussen uitvinder en gemeenschap. De uitvinder geeft zijn uitvinding prijs aan de openbaarheid en krijgt in ruil daarvoor een tijdelijk monopolie op de toepassing van zijn vinding. Met andere woorden: degeen die door het scheppen van nieuwe middelen of methoden de techniek vooruitbrengt en zijn schepping niet geheim houdt, wordt daarvoor beloond. In landen met een ondernemingsgewijze productie krijgt de uitvinder of onderneming deze beloning in de vorm van een octrooi”, zegt Renes' collega ir. I.J.J. Jessen, die is gespecialiseerd in werktuigbouw. Uitvinders of ondernemingen kunnen zodoende andere ondernemingen die zich weinig gelegen laten liggen aan research and development gedurende een bepaalde tijd verbieden van hun uitvinding gebruik te maken.

Lijnrecht tegenover die overtuiging staat de opvatting dat octrooien monopolies scheppen die een belemmering vormen voor de vrije ontwikkeling van het bedrijfsleven. Octrooien zouden de nijverheid blokkeren en prijsverhogend werken. En dat is weer in strijd met het algemeen belang. Volgens de aanhangers van deze redenering is het de wetenschappelijke en de industriële ontwikkeling die de tijd rijp maakt voor een uitvinding. In dat geval is het een kwestie van toeval wie de uitvinding het eerst doet, geen rechtvaardiging om maar één persoon of onderneming daarvoor te belonen met een octrooi.

De omschrijving van het begrip uitvinding is altijd van cruciaal belang geweest in het octrooirecht. Nieuwheid en inventiviteit vormen de kern van alle criteria. Een uitvinding moet berusten op het idee dat een tot dan toe onbekende maatregel een bepaald resultaat oplevert. Hoe dat inzicht tot stand is gekomen doet niet ter zake. Vakkennis en denkarbeid kunnen daar aan bijdragen, maar een uitvinding kan ook een pure toevalstreffer, een kwestie van serendipiteit zijn. Dat gebeurt vaak. Zo werd de kunststof polyetheen - een plastic - bij toeval uitgevonden door het Britse chemische concern ICI. In heel wat octrooiaanvragen komt de opmerking voor dat het resultaat verrassenderwijs is verkregen.

In het octrooirecht speelt ook het verschil tussen ontdekkingen en uitvindingen een belangrijke rol. Het vinden van onbekende natuur- of wiskundige wetten is geen uitvinding, maar een ontdekking en dus niet octrooieerbaar. De technische toepassingen op grond daarvan weer wel. Een Archimedes van vandaag zou zijn Wet nooit hebben kunnen octrooieren. Maar er zijn wel methoden voor het winnen van ertsen en steenkool geoctrooieerd die gebaseerd zijn op Archimedes' wet. Bij het afscheiden van steenkool of erts worden de mengsels ondergedompeld in een vloeistof waarvan het soortelijk gewicht ligt tussen de soortelijke gewichten van de te scheiden bestanddelen, waardoor de lichtere delen gaan drijven en kunnen worden weggeschept.

In de meeste landen kan alleen een octrooi worden verkregen als daarmee een resultaat wordt verkregen op het gebied van de nijverheid. Het begrip nijverheid wordt daarbij breed opgevat. Ook de landbouw valt er bijvoorbeeld onder. Uitvindingen die niet op het gebied van nijverheid liggen worden meestal uitgesloten, zoals geneeskundige behandelingen, boekhoud- en onderwijsmethoden. Overigens is ook hier het octrooirecht in ontwikkeling. Voor ontwikkelingen waarvoor in het verleden geen octrooibescherming te verkrijgen was, zoals bijvoorbeeld computerprogramma's, worden nu mogelijkheden gevonden om deze toch een plaats binnen het octrooirecht te geven.

Zijn de criteria nieuwheid, inventiviteit en industriële toepasbaarheid min of meer universeel, het denken over octrooien is wereldwijd zeer verschillend. Renes: “In Japan is een octrooi bijvoorbeeld een belangrijk statussymbool. Daar worden enorm veel octrooien aangevraagd, uitsluitend om het prestige. Met ongeveer driekwart van die octrooien wordt nooit echt iets gedaan. In veel Europese landen is dat bijna tegenovergesteld. Zo heeft in wetenschappelijke kring de bescherming van uitvindingen geen prioriteit. Je vindt iets uit om de wetenschap te dienen, niet om er geld mee te verdienen. In de Verenigde Staten wordt weer meer uitgegaan van het principe dat met octrooien geld kan worden verdiend voor de financiering van verder onderzoek.”

Ook in juridisch opzicht zijn er verschillen. In sommige landen zijn octrooien niet meer dan papieren tijgers. Andere landen staan er om bekend dat octrooikwesties ordentelijk voor de rechter kunnen worden gebracht. In dat opzicht neemt Nederland overigens een uitzonderlijke plaats in. Als enige land ter wereld kunnen octrooikwesties hier 'in kort geding' inhoudelijk worden aangekaart. De rechter doet dan snel een uitspraak. Dankzij Europese verdragen kan zo'n uitspraak van de Nederlandse rechter geldig zijn voor verschillende landen in Europa. “Steeds meer internationale ondernemingen brengen hun zaak daarom in Nederland voor de rechter en vragen om een uitspraak voor geheel Europa”, stelt Renes vast. “Een daarmee gepaard gaand nadeel voor de Nederlandse economie is dat sommige ondernemingen Nederland mijden als markt, om op die manier deze internationaal geldende uitspraken te voorkomen.”

Octrooiwetgeving heeft onmiskenbaar haar invloed gehad op de grote uitvindingen van deze eeuw. “De exacte uitwerking is echter moeilijk aan te wijzen”, zegt Renes. “De belangrijkste uitvindingen zouden waarschijnlijk niet tot ontwikkeling zijn gekomen zonder octrooirecht. Zo hebben octrooien een belangrijke invloed op de ontwikkeling van medicijnen. De ontwikkeling van een nieuw medicijn kost globaal 250 miljoen dollar, waarbij bovendien slechts gemiddeld één op de tien daadwerkelijk tot succes leidt. Als farmaceutische bedrijven hun producten niet konden beschermen zouden anderen deze namaken, waardoor de ontwikkelingskosten niet terugverdiend worden. Gevolg daarvan zou zijn dat ondernemingen nagenoeg geen medicijnen meer zouden ontwikkelen”, zegt Renes.

Anderzijds hebben octrooien en de fixatie daarop van de industrie ook een remmende werking op sommige ontwikkelingen gehad. Bekende voorbeelden daarvan zijn de gerechtelijke procedures rond de 'hoge sterkte' van kunststofvezels, de ontwikkeling van een videosysteem en -standaard, computertechniek en de direct-klaar fotografie. In eindeloze procedures heeft de octrooistrijd veel tijd en geld gekost en concurrenten intussen de kans geboden een deel van de markt te veroveren. “Je ziet in die gevallen ondernemingen jarenlang vechten om de markt en uiteindelijk blijkt er nauwelijks markt over te zijn. Octrooieren is een gereedschap en geen doel op zichzelf”, aldus Renes.

Hij kan er goede voorbeelden van noemen. Zoals dat van een kleine fabrikant van landbouwwerktuigen die begon met octrooieren van zijn vindingen. Op een gegeven moment maakte het bedrijf bijna geen producten meer. Het was vrijwel uitsluitend nog bezig met onderzoek en ontwikkeling, het regelen van octrooien en het incasseren van royalty's. Het bedrijf heeft daar jarenlang veel aan verdiend, waarna de concurrentie wel gedwongen werd ook haar ontwikkelingen via octrooien te beschermen.

Vooral ook in de biomedische technologie - het specialisme van Renes - zijn er voorbeelden te geven van hoe het wel moet. De ontwikkeling van 'Polymerase Chain Reaction' (PCR) is er zo een. Het gaat daarbij om een techniek waarmee in een monster snel DNA kan worden getraceerd en vermeerderd. De methode werd meteen gelicentieerd en groeide uit tot een wereldwijde standaard. “De octrooihouder is heel toeschietelijk geweest bij het beschikbaar stellen van het enzym voor onderzoeksdoeleinden. Daardoor is het tot standaard verheven en heeft de octrooihouder er veel geld aan verdiend”, aldus Renes.

Vereenigde Octrooibureaux constateert een toenemende aandacht voor octrooieren bij zowel wetenschap als industrie. In de biomedische technologie zijn octrooien inmiddels de belangrijkste bron van inkomsten. De noodzakelijke fasen van onderzoek, nodig voor het ontwikkelen van een geneesmiddel worden uit de baten van octrooien betaald.

Dat 'octrooibewustzijn' is in het verleden wel eens geringer geweest. Renes noemt voorbeelden van uitvinders die op dat punt niet alert genoeg waren en zo grote sommen geld zijn misgelopen. De uitvinders van monoclonale antilichamen waren niet oplettend. Een octrooi op deze vorm van diagnostiek op grond van eiwitten waarmee het menselijk immuunsysteem vreemde stoffen herkent en bestrijdt, zou volgens Renes jaarlijks vele miljarden dollars opbrengen. Maar de Britse wetenschappers die als eersten monoclonale antilichamen konden maken, hebben nooit de vruchten van hun inspanningen geplukt, omdat de octrooigemachtigde die zij raadpleegden zei dat voor deze uitvinding geen octrooi te krijgen was. Renes: “Jammer, want overduidelijk is dat dat wèl had gekund. Het was een majeure uitvinding. Later zijn er aanvragen gehonoreerd voor afzonderlijk getraceerde eiwitten, waarmee honderden miljoenen zijn verdiend. De eerste uitvinder had daar dus een veelvoud van kunnen verdienen.”

Maar ook klein lijkende uitvindingen kunnen behoorlijk lucratief zijn. Jessen noemt de lucifer of de bij toeval ontdekte, gele, zelfklevende memobriefjes die overal ter wereld op kantoren worden gebruikt. “De uitvinder daarvan zocht naar een perfecte lijmsoort, maar het resulteerde in het tegenovergestelde”, vertelt Jessen. “Die 'mislukking' leverde hem uiteindelijk toch veel geld op.”

Dat geldt ook voor de uitvinding van een verbeterde paperclip. Zelfs aan dat eenvoudige product bleek nog iets te verbeteren. Een slimme uitvinder bedacht dat het rond en bol maken van de scherpe uiteinden van de paperclip voor minder beschadiging aan het papier zou zorgen en dus beter te gebruiken zou zijn. Niet bepaald de uitvinding van de eeuw, maar toch goed voor heel veel geld. Daar zou zonder octrooirecht nooit sprake van zijn geweest.

“It's money that makes the world go around, wordt wel gezegd. Het geldt in ieder geval in de wereld van wetenschappers en uitvinders. Octrooien zijn daarin de aanjager”, zegt Renes.