Twee heren

DE TWEE MINISTERS die het departement van Buitenlandse Zaken & Ontwikkelingssamenwerking rijk is, zijn het weer eens oneens. In een dubbelvraaggesprek met het blad Internationale Samenwerking verschillen Van Mierlo en Pronk onder meer van mening over hun politieke prioriteiten, onderlinge verhouding en bestedingen.

Op zichzelf is dat geen nieuws. De constructie - twee ministers in één organisatie - is al jaren een anomalie in het Nederlandse staatsbestel. Beide bewindslieden hebben ieder één stem in de ministerraad. Maar in bureaucratische zin zijn ze niet gelijk. De minister van Buitenlandse Zaken beheert het gehele departement, de minister van Ontwikkelingssamenwerking slechts een directoraat-generaal en een paar sub-directies. In budgettair opzicht zijn ze evenmin gelijkwaardig. Buitenlandse Zaken spendeert 0,3 procent van het bruto nationaal product, Ontwikkelingssamenwerking 0,8 procent. Dat alleen al schept verwarring. Want wie is nu de belangrijkste minister? De man die over de grootste staf beschikt of degene die het hoogste budget heeft? De Haagse bureaucratische cultuur kent een correlatie tussen invloed op de kas en positionering in de hiërarchie.

De twist tussen Van Mierlo en Pronk gaat in de kern over deze kwestie. De eerste wil zeggenschap over de uitgaven in de ontwikkelingssamenwerking, bijvoorbeeld omdat hulp aan Servië of Palestijnen het buitenlandse beleid van Nederland raakt. De tweede wil in dat geval “gelijk oversteken”, dat wil zeggen een grotere greep op het buitenlandse beleid, zoals de wapenexport.

OMDAT BEIDEN zich “onafhankelijke politici” wanen, is er geen reden tot paniek over het feit dat twee ministers in een vraaggesprek de eenheid van het regeringsbeleid zo openlijk kantelen. Het mes lag duidelijk niet op tafel tijdens het vraaggesprek met het blad van Ontwikkelingssamenwerking. Het was veeleer een openhartige gedachtewisseling.

Maar de spanning, die de bewindslieden op het departement signaleren, is wel een gegeven en kan niet worden genegeerd. Nadat de premier eerder al zijn positie in het buitenlandse beleid danig had versterkt en de regering een ingewikkelde 'herijking' heeft doorgezet, is de tijd nu rijp voor de finale consequentie. De kabinetsformateur zou deze zomer aan de ingebouwde patstelling op Buitenlandse Zaken een einde moeten maken. Een staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking naast een minister van Buitenlandse Zaken bevordert de eenheid van regeringsbeleid en de helderheid van de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland.