Plagiaat

“Communisten, maar er zijn toch helemaal geen communisten meer?“ zei ik, en toen werd de sfeer opeens heel grimmig. Een van de twee mannen pakte een geweer, maar zijn vrouw tikte hem tegen zijn arm dat hij het weg moest zetten en er werd niet geschoten. Er werd eten voor me neer gezet, dat typisch Amerikaanse 'processed food' waaraan je bijna niet kan zien wat het voor moet stellen, en er was een variant die ik niet kende, gebakken eieren die zo van een rol afgeknipt konden worden, zodat je een soort vierkante eiwitachtige pizza voor je kreeg gezet met vijf maal vier donkergele dooiers.

Waar was de vrouw van die andere man eigenlijk? Op het papieren tafelkleedje dat ik had gekregen stond de integrale tekst van de ruzie die ze met haar man had gekregen, waarna ze vermoord was, en het stond er in het Nederlands, wat deze Amerikanen gelukkig niet lezen konden. Wat er ook op het papier stond was: “Ze gaan je vergiftigen. Als je er uitkomt, neem dan contact met mijn vader op.“

Aan het handschrift kon ik zien dat dit geschreven was door Hans Ree. Maar wie was ik zelf dan? Er was geen tijd om daar over na te denken, want de vrouw stopte een lamp in de mond van haar man en begon die op te pompen met lachgas. Straks zou de man exploderen en omdat ik heel slecht tegen gewelddadige films kan, draaide ik mijn hoofd af en keek ik uit een hoekje met bijna dichtgeknepen ogen. Zou Marjoleine de Vos nu flauwvallen? vroeg ik me af. Die is nog gevoeliger dan ik en schreef in de krant dat het geen vooruitgang is dat we tegenwoordig niet meer bij het minste of geringste van ons stokje gaan, zoals een eeuw geleden. Wie waren die 'we' eigenlijk die zo gauw flauwvielen? Alleen zeer fijngevoelige dames. Niet de dienstbodes, want als die flauw zouden vallen zouden ze de dure porseleinen schalen op de stenen keukenvloer kapot laten vallen en met schande overladen ontslagen worden. Maar met dit soort communistische praatjes moest ik hier bij die Amerikanen niet aankomen, dat had ik wel begrepen.

Bij mijn positieven blijven. Het ging de goede kant op. De andere man was gelukkig verdwenen en ook dat akelige kind dat me breed lachend een groot stuk van die vieze vergiftigde kaas had gegeven. “Hij was niet aardig“, schreeuwde de vrouw vlak voordat ze haar man zou laten ontploffen.

Toen ik wakker werd dacht ik er nog even over na wie de hoofdpersoon van mijn droom geweest kon zijn, als Hans Ree al eerder vergiftigd was. Maar waar ik vooral over nadacht, was de vraag of ook deze droom weer plagiaat geweest was. Het lijkt er wel op eigenlijk, hoewel ik Marjoleine en die eieren die van de rol werden geknipt als origineel wil claimen.

Iemand had me er op gewezen toen ik een paar maanden geleden een paar dromen hier had opgeschreven. Ze waren plagiaat geweest, ook al had ik ze eerlijk gedroomd. “Misschien ben je als plagiator wel een nieuw genre begonnen. Beroemde dromen uit de wereldliteratuur nadromen“, schreef mijn vriend me. Hij grapte een beetje, maar er zat wat in. Ik had gedroomd dat ik een lezing over Nabokov hield en ook dat ik in een boekwinkel allerlei onbekende boeken zag van geliefde schrijvers waarvan ik dacht dat ik al hun werk al kende. Nabokov en dat literaire luilekkerland, het waren inderdaad twee elementen uit een bekende droom uit de wereldliteratuur. Een droom van Remco Campert. Hij kwam een bibliotheek binnen en kreeg een dik boek in zijn handen gedrukt dat American Machinery and Trade heette. Niks voor hem. Maar toen hij het open sloeg bleek het een onbekende roman van Nabokov te zijn die 19.000 pagina's had. Een golf van geluk sloeg door hem heen.

Ja, die droom van Remco Campert had ik inderdaad vroeger gelezen, dat wist ik nog heel goed toen mij er eenmaal op gewezen werd. Alles wat ik er zelf nog aan gedaan had was de twee elementen, Nabokov en het geluksgevoel bij een onbekend boek, in mijn eigen droom uit elkaar halen en tot twee verschillende verhaaltjes verwerken. Het viel niet te ontkennen, het was inderdaad plagiaat geweest.

Het maakte, als dat nodig zou zijn, nog eens duidelijk hoe hulpeloos de eerlijke plagiator is tegen zijn aandriften. We hebben het niet over de criminelen die bewust met andermans veren pronken, maar over de onschuldigen die anderen naschrijven zonder dat ze het weten. Ze worden epigonen genoemd, en misschien terecht, maar wat kunnen ze er aan doen? Moeten ze bij iedere gedachte die bij hen opkomt alle boeken uit hun bibliotheek nagaan om te zien waar die gedachte vandaan komt? Na iedere droom?

Toen ik twee weken geleden schreef over het boekje In der Strafkolonie, een verzameling documenten die verband houden met het gelijknamige verhaal van Franz Kafka, had ik het eigenlijk over plagiaat willen hebben. Het stukje ging toen een andere kant op en bleek over gruwelijke films te gaan.

In dat boekje zijn op werkelijk voorbeeldige manier de bronnen waar Kafka gebruik van maakte bij elkaar gebracht. Er is een fragment uit de roman De Tuin der Kwellingen van Octave Mirbeau dat werkelijk een grote gelijkenis met het verhaal van Kafka heeft. Verslagen van reizigers die echt bestaande strafkolonies aandeden. Een gruwelijke beschrijving van een executie. Ingenieuze martelmachines die in werkelijkheid gebruikt werden, bijvoorbeeld in psychiatrische inrichtingen. Bijna alles uit het verhaal van Kafka is in die bronnen te vinden en de samenstellers van het boekje weten aannemelijk te maken dat Kafka die bronnen ook inderdaad gekend heeft.

Een paar jaar geleden ging er even een golf van plagiaatjagerij door de Nederlandse literatuur. Het ging zelfs zover dat een schrijver werd verweten dat hij een scène uit een film van Fellini in een van zijn boeken had gebruikt. Zelfs de kleur van de auto had die schrijver niet veranderd, werd er verontwaardigd geroepen. In die jachtpartij had Kafka ook voor de bijl kunnen gaan, maar die is heilig. Gelukkig maar. Schrijven is stelen van dieven, een troostrijk inzicht dat ik overigens ook niet van mezelf heb.