Nederlandse muziek

De inhoud van de brief van staatssecretaris Aad Nuis aan de Tweede Kamer, waaruit in NRC Handelsblad van 16 februari uitvoerig wordt geciteerd, geeft mij aanleiding tot enkele opmerkingen.

Ten eerste. “Iedereen zegt dat hij meer Nederlandse muziek wil bieden, maar dat het publiek het niet wil.” Dat is een onjuiste voorstelling van zaken. Er is inderdaad een deel van het publiek dat niet geïnteresseerd is in hedendaagse muziek, ongeacht of deze van Nederlandse of buitenlandse herkomst is. Dat deel van het publiek zal, gezien de uitstekende gezondheidszorg in Nederland en de daarmee gestegen levensverwachting, waarschijnlijk in omvang toenemen.

Ten tweede. Waar zowel Aad Nuis als degenen die met andere plannen komen aan voorbij gaan, is het feit dat het probleem (van de Nederlandse muziek in het orkestrepertoire) niet met procenten of vergelijkbare maatregelen kan worden opgelost, maar dat voor alles een mentaliteitsverandering van dirigenten en organisatoren noodzakelijk is. Dezen moeten eindelijk tot het inzicht komen dat het een normale zaak is dat muziek van Nederlandse componisten geïntegreerd wordt in het gehele repertoire, zoals dat in andere landen ook het geval is. Pas als die mentaliteitsverandering heeft plaats gevonden, kan de vraag van Nuis: “Wat is bij elk orkest het educatieve beleid, dat een structurele basis onder het geheel moet leggen”, beantwoord worden.