Een huisje naast Ome Joop

Een huisje, een huisje moet je hebben! Als je in de stad woont, moet je een huisje hebben.

Wij ook. Niet omdat we het zo breed hebben, maar vooral omdat we het zo benauwd krijgen. De stad wordt te vol. Het is voller dan vroeger, vooral in de zomer. Zeker als je kinderen hebt, en vooral als de grote stad waarin wij wonen, ieder weekend weer volstroomt met feestend en winkelend publiek. Weg, moeten we dan.

Aan het zoeken naar en het vinden van zo'n huisje zijn al veel, meestal pijnlijke, stukjes gewijd. Over eindeloos zoeken en eindigen met een zeperd ging het dan vaak. Over het simpele ideetje, over een simpel huisje, net iets buiten de stad, waar het toch nog rustig is, met een rieten dakje, eventueel aan het water, en met een beetje privacy. Maar dat simpele boerderijtje, voor een, twee of desnoods drie ton dan maar - daar kunnen we kort over zijn, dat bestaat niet meer. Ja, dat huisje, dat bestaat soms nog wel, maar dan kost het opeens acht ton.

En toch willen we een huisje. Nou, dan maar een iets minder huisje. Een huisje in een volkstuintje is ook best leuk. Yes! Massaal trekken we op naar de volkstuin en ander onregulier terrein, als er maar een huisje staat, als het maar een beetje groen is.

Ooit voorbehouden aan de arbeider uit de volkswijk, meestal lukraak neergeplempt aan de rand van de stad, of rechts van de spoorlijn, veranderen deze plekken nu in resorts voor menig jong stel, soms zonder, maar meestal mét kinderen.

Vlak voorbij Durgerdam, twintig minuten fietsen slechts van het centrum, ligt het Kinselmeer. Rondom dat meertje liggen drie terreinen met huisjes erop. Niet echt mooi, die huisjes, geen streling voor het oog, maar ze liggen er. En al veertig jaar! Het zijn huisjes, en er is water. Vooruit dan maar.

Le Lac Kinselle, noemen wij het, sinds wij daar ook een huisje hebben. Onze buren daar, een arts en een advocate, noemen hun huisje de Datsja, en ze zitten er naar volle tevredenheid al drie jaar. Onze overburen, familie 'De Camembert de Boursin' zal ik maar zeggen, oud geld dus, die hebben er, net als wij, vorig jaar pas een gekocht.

Samen met Ome Joop en Ome Jan (die alles kan), die al veertig jaar het huisje achter ons hebben, gaat Willem Hendrik de Camembert de Boursin dat tweede huisje ongetwijfeld deze zomer heel mooi maken. Blauw-grijs gaan ze het schilderen, dat gaan wij ook doen, want dat is beter voor de vogels, weten we van het bestuur van onze vereniging. De verhouding oude en nieuwe bewoners ligt op ons terrein nu ongeveer op vijftig vijftig, maar langzaam nemen wij het over van de Omes en de Tantes. Zouden ze dat niet erg vinden? Dat indringen, dachten we vorig jaar heel vaak.

“Welnee”, zegt Ome Joop, wij vinden het juist wel weer leuk met al die kinderen. Mijn eigen kinderen gaan ieder jaar twee keer naar Tenerife en soms zelfs ook naar Florida, vult Ome Jan hem aan. Die hebben het hier wel gezien, die hebben hun hele jeugd hier al moeten zitten, zeggen ze lachend. Gelukkig maar, die hitte is uit de lucht.

Maar dan zijn we er nog niet. Steden moeten groeien, en vogels moeten broeien. Volkstuinen liggen aan de rand en soms aan een weiland. Logisch dus dat deze worden opgenomen in de diverse plannen. Een ambtenaar of een commissie of een deelraad of een hele stuurgroep of een combinatie heeft besloten dat we moeten oprotten met onze huisjes. Dat proberen ze al jaren, maar nu moet het er écht van komen.

“Maar de gemeente dan?”, vraagt mijn vrouw op de laatste vergadering van onze vereniging Vrienden van het Kinselmeer. “Die vertelden me een paar maanden geleden nog door de telefoon dat het zo'n vaart niet zou lopen? En waarom moeten we dan nu opeens wel weg?”

En waarom dan? Voor de woningbouw? Nee: er moeten weer vogels gaan wonen. Vogels? En IJburg dan, aan de overkant? En die donkerrooie landkaart van Nederland over twintig jaar dan? Denk ik pissig.

Nee, nee, ze zijn nu echt heel erg serieus, de dertig huisjes moeten nu écht weg. Het huurcontract voor het terrein is ook al opgezegd. Zou het, net nu wij er zijn gaan zitten, dan echt nú al afgelopen zijn?

“Heb ik dat?” hoor ik Ome Jan naast me zeggen, “en 't begon er net weer zo leuk te worden, met al die kinderen?”

We gaan een jurist erbij halen, zegt de voorzitter. “Is er hier toevallig een jurist in de zaal”, vraagt hij. Ik kijk achter me, en zie vijf vingers de lucht ingaan. Dat wordt nog wat, denk ik.