'De vrijgelaten misdadigers zitten in de regering'; Albanië blijft balanceren op rand van oorlog

Ruim een half jaar geleden verdween het ondemocratische bewind van president Sali Berisha. Maar rustiger is Albanië er niet op geworden: de partijen staan als woedende vijanden tegenover elkaar en de anarchie in Shkodër onderstreept de kwetsbaarheid van de binnenlandse vrede.

ROTTERDAM, 24 FEBR. In juli vorig jaar trad Fatos Nano, ex-politiek gevangene en leider van de socialisten, aan als premier en kon het door maanden van anarchie, wetteloosheid, plundering en banditisme geplaagde Albanië beginnen aan een wederopbouw. Aan goede wil heeft het Nano niet ontbroken. Na zijn daverende zege en de verdrijving van president Berisha heeft hij een programma van vergaande economische hervormingen opgezet. Hij heeft bovendien steeds zijn best gedaan Berisha's Democratische Partij (DP) bij die hervormingen te betrekken: aan uitnodigingen om mee te praten en mee te denken heeft het niet ontbroken.

Maar dat is slechts een kant van de medaille. Want tegelijkertijd heeft Nano de afgelopen maanden een grote zuivering op gang gebracht onder de overheidsfunctionarissen die - toegegeven: op politieke gronden - door Berisha waren benoemd. Rechters, procureurs, ambassadeurs, politiechefs, lokale bestuurders en hoge ambtenaren werden zonder veel omhaal uit hun ambt gezet. Er zijn zelfs plannen voor de berechting van Berisha, die in maart vorig jaar alle gevangenen gratie verleende. Onder hen zouden 58 gevaarlijke misdadigers zijn geweest - moordenaars en verkrachters. Berisha reageerde op dat verwijt met de opmerking dat “de enige gevaarlijke misdadigers die zijn vrijgelaten nu in de regering zitten”.

De hang naar wraak was voor Berisha en zijn partij reden geen centimeter aan Nano toe te geven. Nadat in september een DP-parlementariër, Azem Hajdari, in het parlement door een socialistische collega was neergeschoten keerde de DP zich volledig van het nieuwe bewind af: sinds september heeft de DP zich niet meer in het parlement laten zien en vrijwel dagelijks houdt Berisha met demonstraties en kwade uitvallen naar de regerende socialisten de druk op de ketel. Voor Berisha zijn de socialisten “terroristen” en “communisten”.

Aldus woedt in Albanië een soort binnenlandse oorlog die op geen enkel moment verflauwt: elk incident is aanleiding tot woedende verwijten over en weer. De hervormingen schieten geen wortel, mede omdat inmiddels duidelijk is geworden dat het nieuwe bewind weliswaar wordt gedomineerd door een kleine elite van serieuze hervormers, maar dat die laag maar heel dun is: op een wat lager niveau is dit bewind even incompetent en corrupt als het vorige. Het lokale bestuur wordt gedomineerd door lieden die nog onder het DP-bestuur aan de macht zijn gekomen. Lobbygroepen die iets leuks willen en slechtbetaalde ambtenaren zonder enige belangstelling voor het landsbelang frustreren de hervormingen. Er bestaat dringend behoefte aan een hervorming van het openbaar bestuur, maar incompetente ambtenaren kunnen moeilijk worden ontslagen zolang er geen competent kader is dat hen zou kunnen vervangen.

Daar komt bij dat Albanië de anarchie van de eerste helft van vorig jaar nog lang niet te boven is. Van de inlevering van de meer dan één miljoen wapens die toen bij de plundering van legerdepots in handen van de burgerij zijn gevallen, is niets terechtgekomen: niet meer dan tien procent van die wapens is ingenomen. Veel wapens hebben inmiddels door smokkel hun weg naar het buitenland gevonden - de Balkan is vergeven van wapens - maar zeker een half miljoen vuurwapens bevinden zich nog in handen van Albanezen. En het geweld neemt nauwelijks af. In 1997 vielen bij berovingen en overvallen, gijzeling en bloedwraak en ongelukken meer dan tweeduizend doden. In de eerste twee weken van dit jaar kwamen vijftig burgers en vier politiemannen om het leven. De politie mag tegenwoordig zonder waarschuwing schieten op bandieten die overvallen plegen - maar die schieten terug, en de gemiddelde politieman in Albanië verdient maar een schijntje en is niet bereid zijn leven in de waagschaal te stellen. Minister van Binnenlandse Zaken Neritan Ceka zou het liefst de doodstraf in ere herstellen, waarop bij de toetreding tot de Raad van Europa in 1995 een moratorium is afgekondigd, maar dat mag niet van Europa: Albanië heeft moeten beloven de doodstraf binnen 'redelijke' termijn af te schaffen.

Het hoe en waarom van de rellen in Shkodër - een bolwerk van Berisha - is nog niet duidelijk. Ooggetuigen bestempelen de rellen als een volksopstand, eerder dan als een vorm van banditisme door van buiten komende bendes. Maar de rellen hebben mogelijk te maken met de arrestatie, vorige week woensdag, van Azem Hajdari, dezelfde parlementariër die in september werd neergeschoten. Hajdari werd met elf aanhangers in Laç, twintig kilometer van Shkodër, na een vuurgevecht gearresteerd. Volgens de regering hadden ze een dag eerder een bank overvallen in Berisha's geboortestad Tropoja en werden ze betrapt met grote hoeveelheden wapens. Volgens de DP echter wilde het regime Hajdari vermoorden. Vier dagen later kwam het tot de opstand in Shkodër - weer zo'n incident dat aantoont dat Albanië blijft balanceren op de rand van een burgeroorlog.