Clinton voelt zich bevrijd uit penibele situatie

Washington is voorzichtig tevreden over de uitkomst van de missie van Kofi Annan naar Bagdad. De regering is bevrijd uit een penibele situatie, waarin ze afstevende op luchtaanvallen die haar vervreemd zouden hebben van onder andere een deel van de eigen bevolking en een aantal bondgenoten.

WASHINGTON, 24 FEBR. De Amerikaanse regering maakt zich geen illusies. Het conflict met de Iraakse president Saddam Hussein over de wapeninspecties van de Verenigde Naties is nog niet werkelijk opgelost. De komende weken en maanden moet nog maar blijken of de wapeninspecteurs van de VN inderdaad in heel Irak hun werk kunnen doen, zoals het akkoord bepaalt.

Maar toch toont Washington zich voorzichtig tevreden over de uitkomst van de missie van Kofi Annan naar Bagdad. Minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright zei gisteren zelfs “erg tevreden” te zijn. Ze noemde het akkoord “een eerste stap”. De Amerikanen hebben nog altijd een grote stok achter de deur, in de vorm van een aanzienlijke oorlogsvloot in de Golf.

Voor de regering-Clinton stond er de afgelopen weken veel op het spel in de confrontatie met Bagdad. Het ging Washington er niet alleen om Irak in het gareel te krijgen, de dreiging van Iraks buurlanden te verminderen of te laten zien dat president Clinton, ondanks alle opschudding over de affaire-Lewinsky, de touwtjes nog stevig in handen heeft. De inzet was hoger.

De Amerikaanse regering beschouwt de problemen met Irak als uiting van de nieuwe krachtsverhoudingen in de wereld, een wereld waarin kleine landen betrekkelijk gemakkelijk over chemische en biologische wapens kunnen beschikken. De Amerikaanse opstelling in de crisis moest de toon zetten voor wat een commentator deze week in Newsweek met een groot woord noemt: de Clinton-doctrine. De kern van die doctrine is dat de VS bereid zijn om zo nodig alleen op te treden tegen de verspreiding van wapens voor massavernietiging, onder landen die een bedreiging voor de internationale gemeenschap vormen.

Het conflict met Irak is geen herhaling in 1991, zei Clinton eerder deze maand met een verwijzing naar de Golfoorlog. “Het is een voorproefje van wat er kan gebeuren in 2010, 2020 of 2030.” Herhaaldelijk heeft de president erkend dat de luchtaanvallen die het Pentagon voorbereidde niet konden garanderen dat Irak, als de rook en het stof zouden zijn opgetrokken, helemaal geen chemische of biologische wapens meer zou hebben. En ook de kans dat de Iraakse leider met bombardementen uit de weg geruimd zou worden was niet groot. Maar het militaire optreden zou de wereld wèl kunnen laten zien dat de Verenigde Staten bereid zijn om ontwikkeling en gebruik van wapens voor massavernietiging krachtig tegen te gaan.

Het is de regering-Clinton de afgelopen weken niet goed gelukt om de publieke opinie in eigen land, laat staan die elders in de wereld, te overtuigen van het belang van haar missie, of de effectiviteit van haar aanpak. Daardoor dreigde ze veel geloofwaardigheid te verliezen als het tot een aanval was gekomen, en zonder geloofwaardigheid kan er van haar ambitieuze doctrine weinig terechtkomen.

In de binnenlandse politiek was het dieptepunt ongetwijfeld de openbare discussiebijeenkomst in Ohio, waar de ministers Albright en Cohen en Veiligheidsadviseur Berger werden uitgejoeld en in het nauw gebracht door kritische vragen en opmerkingen. Maar ook in de internationale arena kwam de regering-Clinton pijnlijk alleen te staan: de steun van traditionele bondgenoten bleef uit of was minimaal, en de buurlanden die tegen Irak moesten worden beschermd, wilden geen medewerking aan de Amerikaanse plannen voor militaire actie verlenen.

Nu Irak ermee heeft ingestemd om de VN-wapeninspecteurs toch toegang te geven tot de presidentiële plaatsen, zegt Washington dat Saddam Hussein overstag is gegaan door de dreiging van militaire actie. “Opnieuw hebben we gezien dat diplomatie ondersteund moet worden met kracht en vastbeslotenheid”, zei president Clinton gisteren. Maar in het Congres klinkt kritiek dat Clinton de buitenlandse politiek op een cruciaal moment uit handen heeft gegeven aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Of de Amerikaanse militaire actie zou doorgaan, was immers afhankelijk van het onderhandelingsresultaat van Kofi Annan.

Maar het Congres heeft in deze crisis tot nog toe geen grote rol gespeeld. Een officieel debat is er op Capitol Hill zelfs niet over de kwestie gehouden. Congresleden die vragen opwierpen over de onduidelijke strategie van de regering-Clinton en het ontbreken van een eindspel, werden overstemd door collega's die riepen om het hoofd van Saddam Hussein. Daarmee sloegen ze niet alleen een Amerikaanse wet in de wind die het vermoorden van buitenlandse staatshoofden uitdrukkelijk verbiedt. Ze gingen er ook mee voorbij aan de enorme inzet van grondtroepen die voor het omverwerpen van het Iraakse regime waarschijnlijk nodig zouden zijn, en aan de verontwaardiging die een dergelijke actie in de wereld teweeg zou brengen.

Clintons beleid is gericht op het aan banden leggen, het intomen van de Iraakse macht (containment). Dat is een politiek die niet snel spectaculaire resultaten oplevert, en die veel geduld vergt. De afgelopen zeven jaar hebben de wapeninspecteurs van de Verenigde Naties (UNSCOM) bij dat intomen een belangrijke rol gespeeld. Clinton heeft UNSCOM steeds het effectiefste instrument tegen de Iraakse bewapening genoemd, omdat de inspecteurs meer wapens onklaar hebben gemaakt dan alle bombardementen van de Golfoorlog bij elkaar.

Maar dit Congres, waarin de Republikeinen het voor het zeggen hebben, heeft weinig op met internationale organisaties als de VN. Waar Clinton bereid is om zo nodig alleen op te treden, lijken de Republikeinen er helemaal geen oog te hebben dat een gezamenlijke aanpak wel eens effectiever kan zijn dan een solo-actie.

Critici van de Amerikaanse regering betogen dat het aanzien van Washington in de wereld geschaad is, nu de militaire actie tegen Irak op het laatste moment is afgeblazen. En dat wegens een akkoord met een regime dat al zo vaak bewezen heeft zich niets aan akkoorden gelegen te laten liggen.

Maar de regering heeft zich bevrijd uit een penibele situatie, waarin ze afstevende op luchtaanvallen die haar vervreemd zouden hebben van een groot deel van de Arabische wereld, een deel van de eigen bevolking en een aantal bondgenoten. Zolang Irak de wapeninspecteurs echter hun gang laat gaan kan Washington daarvoor een belangrijk deel van de eer opeisen. En als Irak opnieuw gaat dwarsliggen, dan zullen de Amerikanen daarin een extra rechtvaardiging zien om alsnog in te grijpen.