Borderline

Er loopt een jonge vrouw door de tuin. Met een kind. Ze gaat de keuken in en zit op een stoel als ik binnenkom. Ze detoneert een beetje bij het interieur. Sluik haar, een Zeeman-T-shirt en een lichte bloemetjesrok. Plastic sandalen. Aan beide polsen littekens. Ze kijkt schuw op. Ik herken haar. “Dag mevrouw Weerbrink.” “Nee, Wavert”, zegt ze zacht, “maar Weerbrink is mijn meisjesnaam.”

De artsengroep in onze stad kent haar als Marijke. Ze is niet gemakkelijk. Het Borderline-syndroom is een moeilijk grijpbare kwaal. Onberekenbaar gedrag, zelfverminking en gevoelens van leegte. De term duikt op in de jaren zeventig en lijkt een psychiatrische modenaam voor psychopathisering door incest. Maar ik moet voorzichtig zijn, want het komt vooral bij vrouwen voor. Dat staat in mijn oude leerboek van Rümke. De nieuwe psychiater gaf mij vaderlijk de raad dat boek niet meer te raadplegen. Te eenzijdig op mannen gericht.

Mevrouw Wavert, alias Marijke, sluit zich regelmatig op in haar huis. Daarna belt ze de huisarts en roept door de telefoon dat het niet langer gaat. Als hij komt doet ze niet open. Hoofdschuddend druipt hij af. Ze heeft veel nachtelijke ruzies en zegt dat haar sullige man haar te lijf gaat met de bijl. En ze belt dat ze nu een handvol pillen inneemt. Dan komt hij weer, de dokter en glimlachend ligt ze op bed. Ze wijst naar het lege flesje. En ze laat zich naar het ziekenhuis vervoeren waar de maag wordt leeggepompt. Er wordt slaapmiddel gevonden, maar niet veel.

Nu zit ze in de keuken van mijn huis. “Ik heb geen thuis meer”, zegt ze zacht. “En je man dan?” Ze haalt haar schouders op. “Waarom ben je mijn tuin ingelopen en mijn huis binnengegaan?”, vraag ik. “Ik heb op het kantoor even verderop gewerkt”, antwoordt ze. “Wanneer dan?” Het was meer dan tien jaar geleden.

“Het heeft allemaal geen zin”, zegt ze vermoeid. Ze staat langzaam op en gaat naar buiten. Haar zoontje is omringd door de snaterende eenden in de tuin. “Mama, kwakkwak”, zegt hij. Ze neemt hem op de arm en strijkt over zijn haar. “Kom, we gaan”, zegt ze. Ze zet hem in het kinderzitje en fietst langzaam weg.

Ik oog haar na en mijmer over het levenslot. Als ik weer de tuin in wil, zit de keukendeur op slot. Zonder het te beseffen heb ik achter haar de sleutel omgedraaid.