Bewijs van onafhankelijkheid

ordewijk schiep zijn rechter Digitalis, die op de dag van zijn benoeming bij de rechterlijke macht niet alleen al zijn maatschappelijke nevenfuncties opgaf, maar ook de banden met zijn vrienden verbrak. Dat drastische besluit was ingegeven door zijn behoefte een toonbeeld van onafhankelijkheid te zijn. Het gaat wat ver om daarvoor vriendschappen op te geven, maar het was duidelijk waar het Bordewijk om ging. Zijn romanfiguur belichaamde een tweevoudige deugdzaamheid: hij was zowel de onkreukbaarheid zelve als het levende bewijs van zijn onbeïnvloedbaarheid. Zijn humeur onderging de invloed van regen en kou, zoals ook zijn zieke poes op zijn stemming kon inwerken, maar voor elke andere invloed was zijn rechtersoordeel niet vatbaar.

Digitalis was een zeldzaam exemplaar, dat zo niet meer gemaakt wordt, maar hij vertegenwoordigde een geesteshouding die tot in lengte van dagen deel zou moeten uitmaken van het standaardpakket arbeidsvoorwaarden en -normen van publieke functionarissen, journalisten niet uitgezonderd.

Les één in onafhankelijkheid: verbreek alle banden met maatschappelijke netwerken en weiger betaalde nevenfuncties (procureur-generaal mr. Dato Steenhuis).

Les twee: vermijd vriendschappen met bobo's en blaas geen rouwbetuigingen in hun oor (Volkskrant-journalist Hans van Wissen). Een journalist kan niemands adviseur zijn. Journalisten die directeuren en managers handigheidjes bijbrengen om zich goed door interviews heen te slaan en hun angst voor televisiecamera's te overwinnen (veel bekende televisiejournalisten schijnen daar een goedbetaald nevenemplooi in te vinden) zijn geen journalisten, maar bedrijfsconsultants.

Les drie in onafhankelijkheid (speciaal voor journalisten): houd afstand van machthebbers, voorkom gemeenzaamheid en ga niet in op vertrouwelijke invitaties. De adjunct-hoofdredacteur van het NOS Journaal, Hans Laroes, hield op de opiniepagina van 4 februari aan (ik veronderstel aankomende) parlementaire journalisten een behartigenswaardige norm voor het betrachten van kritische afstand voor: “Excellentie zeggen tegen de minister-president, niet Wim.” Wim zeggende journalisten lopen gevaar vroeg of laat voorgoed in de fuiken van de Rijksvoorlichtingsdienst verstrikt te raken. In de jaren zeventig was er een verslaggever van het NOS Journaal die regelmatig met de hand op de schouder van een minister-president werd betrapt. Die jongeman heeft zijn terechte straf gekregen en zit nu in de directie van de RVD.

Ik kom nog een keer terug op de affaire-Huibregtsen. Sinds vorige week is er nog weinig licht gekomen in de zaak van de brief van prins Willem-Alexander, waarmee Huibregtsen in zijn geruchtmakende interview met Volkskrant-verslaggever Hans van Wissen zwaaide. Willem-Alexander zou daarin bij de aanvaarding van zijn beschermheerschap van NOC*NSF verklaard hebben, dat hij geen plaats in het Internationaal Olympisch Comité zou ambiëren als de gelegenheid zich daartoe mocht voordoen. Het bestuur van het Nederlands Olympisch Comité, c.q. voorzitter Huibregtsen, die zelf kandidaat voor het IOC was, hield met die mogelijkheid rekening, omdat IOC-voorzitter Samaranch de prins jaren geleden al eens voor het hogere werk had gepolst. Dat was buiten de Nederlandse sportbondenkoepel omgegaan, zoals ook Willem-Alexanders benoeming, krachtens Samaranchs olympische prerogatief, buiten de Nederlandse sportorganisaties is omgegaan. Kennelijk was Huibregtsen daar wat nerveus van geworden.

Waarom was die brief trouwens nodig? De regering had er niet om gevraagd, alleen Huibregtsen. Had hij de schriftelijke verklaring nodig om er zijn eigen kandidatuur voor het IOC mee te versterken, dan wel veilig te stellen? In dat geval zou er sprake zijn geweest van een verborgen agenda. Maar wat het motief ook is geweest, de regering is ook zonder een antwoord op die vraag tot het inzicht gekomen dat Huibregtsen het Koninklijk Huis voor eigen doeleinden heeft gebruikt.

Een van onze verslaggevers die de brief wilde inzien nadat Huibregtsen die ten tonele had gevoerd, kreeg van het bestuur van NOC*NSF nul op het rekwest, omdat het om een vertrouwelijke brief ging. Huibregtsen had er dus helemaal niet over mogen spreken, en nog minder mogen suggereren dat daarin een morele belemmering voor de bevordering van de prins verscholen lag. Maar afgezien van die inbreuk op de goede vormen was er met de brief een onbetamelijkheid gemoeid die premier Kok niet over het hoofd zal hebben gezien, maar eenvoudig niet zal hebben gekend. Uit het feit dat het secretariaat van de prins de brief geschreven had, kan worden opgemaakt dat zijn beschermheerschap was geclausuleerd. Die clausule, zo had Huibregtsen al te kennen gegeven, zat verstopt in de mededeling dat de prins geen ambitie had voor het IOC. Die clausule had de prins niet zelf ingebracht; ze was uitgelokt door NOC*NSF, lees: Huibregtsen. En die clausule had betekenis; zou zij die niet hebben gehad, dan had de brief niet geschreven hoeven worden en had Huibregtsen er, ondanks publieke spijtbetuigingen, nooit een woord aan vuil gemaakt.

Huibregtsen heeft ontkend dat aan het beschermheerschap van de prins voorwaarden zijn gesteld. Maar het beschermheerschap van de prins hield een mits in, namelijk de verzekering dat hij zich, zo hij daarvoor gevraagd zou worden, niet beschikbaar zou stellen voor het IOC. Zoiets heet een voorwaarde. Was premier Kok daarvan op de hoogte geweest, dan had hij die gang van zaken nooit geaccepteerd. NOC*NSF zou naar zijn beschermheer hebben kunnen fluiten. Een geclausuleerd beschermheerschap (met voorwaarden verborgen onder couvert) is een even ontoelaatbare belasting voor de drager van de functie als een onaanvaardbare ballast voor de ministeriële verantwoordelijkheid.

Het was gedurfd van Huibregtsen om tegen die achtergrond van politieke en staatsrechtelijke bezwaren te roepen dat hij naar Nederland was teruggekeerd om voor de positie van de prins op te komen.