TV-journalisitiek ontbeert visie; Camera's kunnen registreren maar niet interpreteren

Alle hoofdrolspelers in het conflict tussen de minister van Justitie en het openbaar ministerie hebben kwetsuren opgelopen. Minister Sorgdrager in de eerste plaats, PG Docters van Leeuwen zit uitgeteld thuis, zijn collega Steenhuis is overgeplaatst, de overige PG's zijn verweesd achtergebleven en de televisie krijgt de schuld. Volgens Harry van Wijnen moet de televisie haar interviews tot de helft terugbrengen.

Het NOS-journaal en Nova hebben de afgelopen dagen met hun berichtgeving over de 'muiterij' van Docters van Leeuwen c.s. aan ongewoon scherpe kritiek blootgestaan, zoals dat eerder ook al het geval was met het televisienieuws over de bestuurlijke crisis in de stad Groningen. Zo hekelden een adviseur en een woordvoerder van burgemeester Ouwerkerk op 18 februari op de Podium-pagina van Trouw de mediahype die de werkelijkheid geweld had aangedaan.

Jacques Monasch, oud-hoofd voorlichting van de PvdA, brak op 27 januari in deze krant al de staf over de 'zwaailichtjournalistiek' waaraan de tv zich in de Groningse zaak naar zijn mening te buiten was gegaan. Hij vreesde voor “een veramerikaansing van politiek-bestuurlijke problemen door opgeklopte hetzes, de jacht op kopstukken”.

Docters van Leeuwen, een van de hoofdrolspelers in de controverse tussen de minister van Justitie en het OM maakte de journalistiek in zijn interview met NRC Handelsblad van 14 februari het verwijt dat zij zich “willig heeft laten mobiliseren en kritiekloos het beeld (heeft) gelanceerd van een opstand van een college dat rebelleerde tegen de verantwoordelijke bewindspersoon”.

De televisie had het zelfs niet goed gedaan in de ogen van minister Sorgdrager, die doorgaans niet benauwd is voor de camera's en in weer en wind bereid is ervoor te verschijnen. In het Kamerdebat over haar conflict met het college van procureurs-generaal erkende zij impliciet dat zij zich door het telivisienieuws over de 'muiterij' had laten beïnvloeden, suggererend dat zij door de procureurs-generaal onder druk was gezet via de publiciteit, c.q. de televisie.

De hoofddocent in de communicatiewetenschap van de Universiteit van Amsterdam, Otto Scholten, wees in Trouw van afgelopen zaterdag op het gemeenschappelijke element in de kritiek op de dominantie van het beeld. “Letterlijk in de zin dat vooral het medium televisie het moet ontgelden, figuurlijk in die zin dat beeldvorming overheersend is geworden: niet wat gebeurd is, maar wat gebeurd schijnt te zijn is van belang. Is een beeld - hoe eenzijdig en vals ook - eenmaal gevestigd, dan is correctie immers niet meer mogelijk en gaat het beeld de werkelijkheid bepalen.” Volgens Schol

ten is dat soms minder de schuld van de media dan van de partijen die elkaar in conflicten als die op Justitie op leven en dood bestrijden. Die partijen spelen “op strategisch gekozen tijdstippen brokstukken informatie door aan (bepaalde) media in de hoop daarmee hun positie te verstevigen. Politici en bestuurders beseffen dat in dergelijke situaties niet de werkelijkheid maar de beeldvorming doorslaggevend kan zijn. Wie er het eerst in slaagt een pakkend beeld - 'de muiterij van de procureurs-generaal' - ingang te doen vinden, staat ogenblikkelijk op een vaak beslissende voorsprong”. Daarmee wordt de betrouwbare informatie, volgens Scholten, aan het politieke of bestuurlijke eigenbelang opgeofferd.

Dat de overige media, in het bijzonder de kranten, niet genoemd worden, betekent niet dat zij buiten het krachtenveld van de televisie zouden staan of onschuldig zouden zijn aan de mediahype. Dat is geenszins het geval. In de concurrentie tussen de televisie en de kranten heeft de schrijvende pers er steeds meer moeite mee zichzelf van de televisiejournalistiek te onderscheiden en zich niet door de kippendrift van de andere media te laten meesleuren. Alleen de koelbloedigste kranten slagen erin, en dan nog niet altijd even goed, hun traditionele distantie tegenover regelmatig opduikend pseudo-nieuws op het Binnenhof in stand te houden.

Als alle mediageweld over het conflict tussen de minister van Justitie en het OM tot meer consistentie in de tv-berichtgeving over het optreden van Justitie zou leiden, zou nog wat gewonnen zijn. Maar daar zou ik geen geld op durven zetten. Dat heeft met de aard, maar vooral met het gebruik van het medium televisie te maken. De televisie is van nature meer geïnteresseerd in conflicten over personen dan in machtsstructuren of besluitvormingsprocessen die wezenlijk ingewikkeld zijn. Dat probleem is al zo oud als de televisie zelf. Televisie leent zich niet gemakkelijk voor het verklaren van structuren en denkbeelden. Dat geldt voor de BBC niet minder dan voor de NOS.

Voor de Nederlandse televisie komt daar nog een zelf geschapen probleem bij dat willens en wetens in stand wordt gehouden. Dat probleem heet interview. De Nederlandse televisiejournalistiek bestaat voor een onevenredig groot gedeelte uit interviews. Met de uitzondering van de parlementaire rubriek Den Haag Vandaag, waarvan het gezicht al jaren wordt bepaald door Ferry Mingelen, heeft de politieke televisiejournalistiek in alle programma's op alle zenders alleen interviewers voortgebracht, geen journalisten die zelf commentaar geven of analyseren en het nieuws in hun context plaatsen. Het is de structurele zwakte van de Nederlandse televisiejournalistiek dat zij niet uit eigen kracht kan relativeren, vergelijken en nuanceren. Camera's kunnen niet interpreteren, dat moet voor ze gedaan worden. Maar de Nederlandse televisiejournalist heeft geen eigen oordeel en is altijd aangewezen op het oordeel van buitenstaanders.

De hoofdredacteur van Nova, Gerard Dielissen, gaf in de Volkskrant van jongstleden zaterdag een markante illustratie van dat probleem. De Nova-uitzendingen over de crisis op Justitie hebben een aantal dagen geleden aan onevenwichtigheid, doordat Docters van Leeuwen en Steenhuis, uit vrees voor rechtspositionele gevolgen, niet voor de camera durfden komen. Daardoor ontbraken in de uitzendingen van Nova de commentaren van de beide procureurs-generaal, met wie het programma volgens Dielissen overigens dagelijks regelmatig contact had. De presentatoren hadden die commentaren zelf kunnen voorlezen, maar zagen daar van af op grond van Dielissens motivering: “We zouden de onafhankelijkheid van onze rubriek in het geding brengen wanneer we onze presentator dat verhaal voor eigen rekening zouden laten vertellen. Dat zou gevaarlijk zijn.” Die uitspraak zegt iets over het probleem dat de televisiejournalistiek heeft bij de vormgeving van een samenhangende redactionele visie, een leidend beginsel dat voor kranten gesneden koek is.

Zolang Docters van Leeuwen en Steenhuis weigerden naar de studio te komen, was volgens Dielissen geen evenwicht mogelijk. Dat betekent dus dat voor de televisie buiten het interview geen waarheidsvinding bestaat. Dat evenwicht heel goed bereikt kan worden zonder vraaggesprek wil er in Hilversum nog niet in. Het is de taak van de journalisten daar zelf in te voorzien, niet als verlengstuk van een procureur-generaal, door diens verklaring voor te lezen, maar als his own man, door eigen onderzoek te doen en eigen oordelen te vellen. Nova zou eens moeten beginnen de wekelijkse hoeveelheid interviews tot de helft terug te brengen.