Tijd van bezinning

Van een polonaise is afgezien “wegens de drukte”, maar hossen, dansen en klappen mag in de kerk. Voor één keer, want het is vastenavond. Het feest der zotten begint zaterdagmiddag in het Brabantse Made met een carnavalsmis, en voor deze gelegenheid zonder orgelklanken maar mét de krakers van de hoempa-orkesten de Blaoskaffers, de Wilgenband, Vals Alarm en Zo-Zo.

Het fraai verklede volk in de volle Bernarduskerk luistert aandachtig naar het Smartlappenkoor en naar de lezingen en belijdenissen die pastor Ad van Kuyck en de plaatselijke prins Huub op het altaar uitspreken.

“Heer, laten we samen gaon vur de leut”, zo begint het openingsgebed van de mis, die in het teken staat van de verbroedering. Drie jaar geleden nam Van Kuyk het initiatief tot de speciale dienst. In de bloeiende parochie van de Heilige Bernardus en Blasius - er werken volgens de pastor vierhonderd vrijwilligers - was de belangstelling daarvoor meteen groot. “Het carnaval raakt de bevolking, en daar wil de kerk in delen”, zegt Van Kuyck enthousiast.

Dat is wel eens anders geweest. Het van oorsprong heidense feest met zijn uitspattingen was in de eerste duizend jaar na Christus de (katholieke) kerkelijke autoriteiten een doorn in het oog. In het boek Alaaf, carnaval in Nederland en België (Th. Fransen en G. Gommans) staat dat de kerk destijds op synodes en concilies telkens probeerde “de behoefte aan bachanaalse chaos” aan banden te leggen. In het jaar 742 verscheen een 'kleine index van bijgelovige en heidense gebruiken' waarin de kerk nadrukkelijk stelling nam tegen het aan populariteit winnende volksfestijn.

Maar in 1091 zwichtte de katholieke kerk en deed ze zelfs een serieuze poging de heidense excessen te integreren in haar liturgie. Ze bepaalde het begin van de vasten definitief op de dag die sindsdien Aswoensdag heet. Vanaf Aswoensdag volgen veertig dagen vasten tot Pasen, het feest van Christus' verrijzenis. In die periode onthouden katholieken zich, een gebruik dat tot ver na de Tweede Wereldoorlog in ere werd gehouden. Zo aten ze minder vlees dan gewoonlijk, beperkten ze het drankgebruik en gingen ze niet of nauwelijks uit. In de jaren vijftig deden ook kinderen nog vol overgave mee. Hun rommelpot, waarmee ze met vastenavond zingend en bedelend langs de deuren gingen, maakte plaats voor een vastentrommeltje waarin ze het gekregen snoepgoed opspaarden. Op paaszaterdag plachten ze dat achter elkaar naar binnen te proppen.

In de jaren negentig is de vastentijd “een tijd van bezinning”, legt pastor Van Kuyck in de kerk van Made uit. De vastentijd verwijst volgens hem naar de veertig jaren (“een mensenleven in die tijd”) die Mozes en de zijnen nodig hadden om van Egypte naar het Beloofde Land (Palestina) te trekken. “Een zware periode vol ellende, in de woestijn. Ze redden het dankzij hun verbondenheid”, zegt hij.

Bij die verbondenheid wil hij in deze bijzondere kerkdienst stilstaan, “want tijdens dit lentefeest voelen we ons meer dan in andere tijden met elkaar verbonden”, zegt hij in het openingsgebed van de carnavalsmis.

Aan het einde van de dienst zingen jong en oud de plaatselijke medley 'knotsgek'. Tijdens de 'zegen en zending' heeft Van Kuyck nog een boodschap voor de carnavalsvierders: “Laat ons genieten van het goede der aarde. Laten we ons onderdompelen in de feestende menigte zonder acht te slaan op rangen en standen. Allemaal gelijk. Heer, laten we deze dagen goan vur de leut”.

Ten slotte nodigt hij iedereen uit om op Aswoensdag naar de Bernarduskerk te komen om een askruisje te halen. Dat kruisje moet de gelovigen enige ogenblikken doen stilstaan bij het leven. “Gedenk o mens, dat gij van stof zijt en dat gij tot stof zult wederkeren”, zal Van Kuyck zeggen, als hij de askruisjes op de voorhoofden van de kerkgangers aanbrengt.

De pastor verwacht woensdag zo'n tweehonderd Madenaars. Hees of zonder stem, maar met rooie oogjes.