Roméo et Juliette bewijst Berlioz' avant-gardisme

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Valery Gergjev m.m.v. Marianna Tarasova, Toby Spence en Alastair Miles. Programma: H. Berlioz: Roméo et Juliette. Gehoord: 21/2 Concertgebouw Amsterdam. Radio: 28/2 19.30 uur Radio 4.

Hector Berlioz, zo bleek weer eens bij de uitvoering van zijn Roméo et Juliette tijdens de Matinee op de Vrije Zaterdag, is onder de negentiende-eeuwse componisten de interessantste en oorspronkelijkste vernieuwer van de muziekdramatische vorm.

Berlioz liep met zijn leidmotieven in de Symphonie fantastique (1830) vooruit op Wagner, met zijn Grande Messe des Morts (1837) op het Requiem van Verdi (1874). In Harold en Italie kwam hij tot een symfonisch altvioolconcert, met Roméo et Juliette (1839) liep hij vooruit op de symfonische dichter Richard Strauss èn op de symfonicus Mahler, die in een aantal werken gezongen teksten incorporeerde. Ook gebruikte Mahler ruimtelijke effecten met een Fernorchester, dat Berlioz in koorvorm presenteert in deze 'symfonie' van Mahleriaanse lengte. En met de flitsende, filmische opzet van zijn opera La damnation de Faust (1846) was Berlioz de operaregisseurskunst een eeuw voor.

Roméo et Juliette ging zaterdag onder leiding van Valery Gergjev in een prachtige en contrastrijke vertolking, schitterend gespeeld door het Rotterdams Philharmoniosch Orkest in de operaserie van de Matinee. Maar al zijn er drie solisten en twee koren, van traditionele opera is hier geen sprake.

Roméo en Juliette ontbreken als zingende solisten. Handelingen en stemmingen van de titelrollen wordt geheel instrumentaal weergegeven. Twee vertellers hebben zeer beperkte rollen. Er is slechts één gezongen personage - vader Lorenzo, die het liefdespaar in het huwelijk heeft verbonden en aan het slot de rivaliserende families Capulet en Montague met elkaar verzoent.

Alastair Miles deed dat met gezag: 'Silence!' riep hij alsof hij tot ver buiten het Concertgebouw moest worden gehoord. De twee helften van het uitstekend zingende Groot Omroepkoor, die elk een familie representeerden, verenigden zich even later in een eed van eeuwige vriendschap.

Dat pompeuze en luidruchtige slot past geheel in de traditie van de Franse 'grand opéra'. Berlioz zelf noemde Roméo et Juliette echter een 'symphonie dramatique' en de verzoenende finale 'Amis pour toujours!' klinkt dan als het Franse antwoord op het 'Alle Menschen werden Brüder' in Beethovens Negende symfonie (1824).

Na de revolutionaire Symphonie fantastique lijkt Roméo et Juliette als symfonie, hoe programmatisch en 'gedramatiseerd' ook, merkwaardig inconsistent geconstrueerd uit vlagen oratorium, symfonisch gedicht en opera. Dat gebrek aan strengheid is echter typerend voor de vrije, eigenzinnige en impulsieve Berlioz, die met Roméo et Juliette ook de typische 'concertante opera' lijkt te hebben uitgevonden, al jaren hét succes van de Matinee.

In de proloog wordt het hele verhaal over de dood van het liefdespaar en de verzoening tussen de families zingend verteld. De delen twee tot en met zes doen de vertelling goeddeels instrumentaal over, met bijvoorbeeld prachtige muziek voor de balkonscène, de scène d'amour, die hier weldadig klinkend uitgroeide van delicate schroom tot onstuimige passie.

Maar terwijl Berlioz met zijn extreem contrastrijke, suggestieve en programmatische muziek vooral de verbeelding prikkelt (de fijnzinnig gespeelde passage over de droomgfee Mab, die hier klonk met tinkelende glasheldere sprookjestover), schakelt hij voor de feestmuzieken en de uitbeelding van Juliettes begrafenis weer heel letterlijk te nemen koorpassages met teksten in. Alleen deel zeven, de finale, is pure opera die in de meest ouderwetse stijl zou zijn te ensceneren. Maar wat er nu tijdens dat slot visueel was te zien aan de bijna eindeloze reeks triomfantelijke bekkenslagen was al theatraal genoeg.