Nagano

Het is zaterdagochtend tegen tien uur. Schuddend in mijn bed word ik wakker. Een sakeflesje valt van het nachtkastje. Takahashi springt onmiddellijk uit bed, loopt naar het raam, trekt het gordijn open en kijkt naar buiten. Bijna tien seconden houdt het schudden aan. Alles rammelt alsof we in een poppenhuis zitten. Het is een kleine aardbeving, lees ik later. Vijf op de schaal van Richter maar. Toch was het even schrikken.

Dan de volgende schok. De telefoon gaat. Takahashi neemt op en zegt wat in het Japans. Dan wendt ze zich naar mij. Heesink-san, roept ze uitbundig. Het is dus mijn grote vriend Anton, voor wie in Japan jaren na zijn olympische judotitel gelukkig nog wel respect bestaat. Anton heeft op mijn verzoek aan Samaranch gevraagd of ik een interview met hem kon hebben. Geesink vertelt dat hij het verzoek aan de baas en aan chef-communicatie van het IOC Michèle Verdier heeft voorgelegd. Maar Samaranch heeft gezegd dat hij geen zin meer heeft in Nederlanders. Hij is dat gedoe over de benoeming van de prins zat. Maar ik wilde helemaal niet met hem praten over benoemingen, over Nederlanders en vooral niet over slechte Nederlandse verliezers, zeg ik. Geesink zegt dat hij dat ook tegen Samaranch heeft gezegd. Juist, ik wilde toch alleen maar praten over sport, verbroedering en het succes van de Winterspelen. Ik ben hier toch voor de sport. Geesink verontschuldigt zich en wenst me nog fijne slotdagen.

Maar ik ben verdrietig. Waarom wordt mij dit niet gegund? Omdat ik toevallig een Nederlander ben? Takahashi gaat naast me zitten. Ze pakt mijn hand en geeft me een kusje. Dan pakt ze mijn gezicht tussen haar twee handjes. Ze kijkt me aan met de mooiste glimlach van Japan en zegt zachtjes: maar we hebben toch een mooie nacht gehad en het waren toch mooie dagen met ons twee. Ik kan haar zachtheid niet weerstaan. Ik moet het bekennen. Het was een groot feest.