Koffieprijs net zo labiel als het weer

Niet alleen nachtvorst in Brazilië, ook een bliepje op een computerscherm kan de prijs van koffie opdrijven op de termijnmarkt in Londen.

AMSTERDAM, 23 FEBR. Gijs van Dam, makelaar in koffie en andere grondstoffen, kan zich er nog over verbazen. In 1975 duurde het drie dagen voordat in West-Europa bekend was dat in Brazilië de nachtvorst had toegeslagen. Vrijdagochtend ging op de beurs in Londen het gerucht dat het rond S Paulo had gevroren. De prijs van een ton koffie schoot omhoog van 380 tot 420 Engelse pond. In het weekeinde werd vervolgens duidelijk hoe groot de schade op de koffieplantages echt was. Maandag boden handelaren al 1.000 pond en was de vraagprijs zelfs 1.500 pond.

“Nu kijkt iedereen naar het weerbericht op CNN. Als er over twee weken een koudefront boven Brazilië wordt verwacht, gaan handelaren al koffie kopen”, zegt Van Dam. Hij werkt voor het Amerikaanse bedrijf Salomon, Smith, Barney, een van de grootste financiële instellingen ter wereld, en handelt vanuit een kantoor bij Schiphol in grondstoffen als olie, graan en koffie.

Van Dam was het afgelopen weekeinde de vertegenwoordiger van het grote geld bij een jubileumbijeenkomst van de Fair-Trade-organisatie. Fair Trade begon 25 jaar geleden met hun 'zuivere koffie' (bijvoorbeeld de Max-Havelaarkoffie) en organiseerde daarom een debat in Amsterdam over de rol van speculanten in de koffiehandel.

Met 'speculanten' worden bedoeld de beleggingsfondsen die niet in aandelen of obligaties investeren maar in termijncontracten ('zoveel ton, te leveren op die datum') van bijvoorbeeld soja, varkensvlees of koffie. Van Dam schat dat er tegenwoordig 120 miljard gulden in die grondstoffenfondsen zit.

De prijs van koffie wordt vooral bepaald door vraag en aanbod, door fundamentele oorzaken als een goede of een slechte oogst. Als de vorst in Brazilië toeslaat (zoals in 1975, in 1986 en 1994) of El Niño voor regen in Uganda zorgt, daalt het aanbod en stijgt de prijs. Maar de prijs wordt daarnaast ook beïnvloed door speculanten. Die versterken de trend omhoog èn de trend omlaag.

Een paar jaar geleden waren er nog vijftig verschillende handelaren in koffie, legt Van Dam uit. Die kochten keurig verspreid over het jaar. Nu zijn er nog tien grote jongens over. Hun kooporders zijn daardoor zo omvangrijk dat ze de prijs meteen beïnvloeden. En hetzelfde is gebeurd bij de speculanten. Dat waren ooit duizenden, individuele, relatief kleine beleggers. Maar de koffiemarkt is zo ingewikkeld geworden, dat de speculanten hun geld tegenwoordig via de fondsen laten lopen. En ook die fondsen kunnen met hun orders de markt in beweging zetten.

Het probleem daarbij is dat een beweging van de prijs een domino-effect kan hebben. De beheerders van beleggingsfondsen zitten achter een computersysteem dat reageert op prijsbewegingen. Zodra koffie duurder wordt, geeft het systeem de opdracht: kopen. En als de beheerder koopt, en de prijs daarom verder stijgt, krijgen ook andere fondsbeheerders een signaal van hun computersysteem: kopen. Het duurt meestal drie dagen voor alle domino-steentjes zijn gevallen, zegt Van Dam. “Maar zelfs die zekerheid staat niet meer vast, want laatst was er een move in soja die negen dagen duurde.”

Volgens Van Dam maken de beleggingsfondsen in grondstoffen gemiddeld nog veel minder rendement dan fondsen in aandelen. Maar hij verwacht wel dat grondstoffen in de toekomst belangrijker worden. “Veel Westerse landen hebben lage begrotingstekorten, waardoor ze minder geld nodig hebben en minder staatsleningen uit zullen geven. Het vele geld in deze wereld moet toch ergens heen en grondstoffen zijn een mooie bestemming.”