Jaap van Zweden heel pragmatisch in Mozartconcert

Concert: Philharmonisch Orkest van Jena en het Toonkunstkoor Amsterdam o.l.v. Jaap van Zweden m.m.v. Floortje Schilt, viool. Mozart: ouverture Don Giovanni; Derde vioolconcert; Requiem. Herh. (m.m.v. Edna Stern, piano): 23/2, De Doelen Rotterdam; 24/2 Dr. Anton Philipszaal Den Haag; 25/2 Chassé Theater Breda; 26/2 Concertgebouw Amsterdam Concertgebouw; 27/2 De Lievekamp Oss.

In de Grote Kerk van Naarden, waar in de lijdenstijd het publiek massaal toestroomt om er de passies van de Nederlandse Bachvereniging te ondergaan, begon zondag de korte Nederlandse tournee van dirigent Jaap van Zweden en het Philharmonisch Orkest van Jena. Op het programma staat louter muziek van Mozart, met als pièce de résistance het Requiem. Tijdens het eerste concert was de 19-jarige Floortje Schilt soliste in Mozarts Derde vioolconcert. Elders zal de jonge Israëlische pianiste Edna Stern soleren in het Pianoconcert KV 467.

Floortje Schilt is een violiste met toekomst. Haar toon is rijp, haar intonatie trefzeker en haar interpretatie heeft karakter, al weet zij niet altijd overtuigend het oorzakelijk verband tussen de verschillende motieven duidelijk te maken. Van Zweden voorzag haar solospel van een terughoudende orkestbegeleiding die niet zozeer dialogiserend was, maar vooral bestond uit steunkleuren. Dat verschilde opvallend van de visie die hij eerder tentoonspreidde bij het Orkest van het Oosten, waarbij hijzelf optrad als dirigent én solist. Maar een dirigent dient te buigen voor de solist en hij moet het rooien met het orkest waar hij voor staat, en het gezelschap uit Jena is nu eenmaal bepaald geen überregional toporkest.

Dat Van Zweden zo zijn eigen ideeën heeft, werd eens te meer duidelijk in het Requiem, de compositie die onvoltooid op Mozarts beddensprei bleef liggen, toen hij op 5 december 1791 overleed aan hitziges Frieselfieber. In de opvatting van Van Zweden is het Requiem een koorwerk, met hier en daar een toefje orkest en een vleugje solist. Alle aandacht leek te zijn uitgegaan naar de tekstexpressie van het goed presterende Toonkunstkoor Amsterdam. De solisten (sopraan Nienke Oostenrijk, mezzo Helena Rasker, tenor Philip Salmon en bas Hubert Claessens) leken hun eigen gang te kunnen gaan, en waren het onderling niet altijd even eens over de frasering.

Van Zweden zoekt het met name in de contrastwerking. Niet alleen tussen het mannen- en het vrouwenkoor, ook de dynamiek is bij hem een terassendynamiek en staccato-passages plaatst hij scherp tegenover de vloeiende lijn. Het is een interpretatie die waarschijnlijk beter tot zijn recht komt in de concertzaal dan in de Grote Kerk met haar forse nagalmtijd.

De concertzaal heeft bovendien het voordeel dat het ongewenste Fernorchester buiten de muren weet te houden. Want terwijl het Tuba mirum werd ingezet - dat deel over de klaroen die een wonderbaarlijk geluid over de graven verspreidt - was van buiten het wonderbaarlijke geluid te horen van de toeters uit een carnalvalsorkest. Zo ontstond spontaan een samenspel dat Charles Ives slechts na vele hoofdbrekens op papier zou hebben gekregen.