IAN MCCULLOCH OVER The Bunnymen

Echo & The Bunnymen: 28/2 Paradiso Amsterdam. Evergreen: Mercury (828 905)

AMSTERDAM, 23 FEBR. “Het was het tijdperk van stadion-acts en beroerde kapsels. Als ik aan de jaren tachtig denk zie ik Goths voor me, met hun zwart geverfde haren en zwarte eyeliner. En de muziek was vreselijk pompeus. Wij waren misschien een béétje pompeus, maar U2 en Simple Minds overtroffen alles. Ik kan het toch al niet uitstaan als mensen ons in één adem noemen met die groepen. Wij zijn helemaal niet van die tachtigers, Echo & The Bunnymen bestonden immers vanaf '78.”

Ian McCulloch, zanger van de Engelse band Echo & The Bunnymen, verliet de groep in 1988, na tien jaar lang met donkere stem psychedelische new wave te hebben gezongen. McCulloch maakte een soloplaat, en speelde onder de naam Electrafixion samen met Bunnymen-gitarist Will Sergeant. Vorig jaar hebben ze met oorspronkelijke bassist Les Pattinson de Bunnymen opnieuw opgericht. Drummer Pete De Freitas overleed in 1989 bij een motorongeluk. Daarna verscheen Evergreen, waarop heldere rockliedjes gepaard worden aan broeierige instrumentaties en McCulloch vertrouwd gebarsten klinkt.

“Het was Wills idee om weer met de Bunnymen te beginnen. En toen we Les er bij hadden viel alles ineens op zijn plaats. Alsof de nummers vanzelf beter werden doordat we onze naam hadden veranderd. Als Electrafixion waren we geïnspireerd door Nirvana; we wilden net zo'n rechtstreeks rockgeluid. Maar als Echo & The Bunnymen waren we weer onszelf.

“Nummers die ik geschreven had ten tijde van Electrafixion kregen nu de Bunnymen-behandeling en waren daarmee áf. Nothing Lasts Forever bijvoorbeeld, had ik jaren geleden al geschreven. Maar in de handen van Les en Will kwam het tot bloei. Nu kunnen we ook onze oude Bunnymen-liedjes weer spelen, zoals The Back of Love en The Cutter. Andere nummers wil ik juist helemaal niet meer zingen, zoals Higher Hell en My White Devil; eigenlijk alles waar ik probeerde te klinken als Lou Reed of David Bowie.

“Ik heb tussendoor nog twee jaar samengewerkt met Johnny Marr, die vroeger bij The Smiths speelde. We hadden erg goede liedjes geschreven maar op onverklaarbare wijze is de demo-tape gestolen. Dat betekende dus twee jaar werk voor niets. Maar ik heb daardoor wel iets goeds geleerd, namelijk op mijn eigen manier songs te schrijven. Johnny Marr heeft me min of meer over mijn onzekerheid heen geholpen. Want na de Bunnymen durfde ik nauwelijks meer iets te schrijven. Ik was als verlamd. Tijdens de Bunnymen had ik die onzekerheid altijd verbloemd door arrogantie. En als iemand me zei dat arrogantie vaak een masker is voor onzekerheid dan antwoordde ik: Bollocks, wij zíjn gewoon fantastisch!”

“De jaren tachtig stonden in het teken van de grootschaligheid. Daar pasten wij helemaal niet bij. Als die andere groepen, zoals Thompson Twins en Howard Jones, op tournee naar Amerika gingen, zochten wij juist de achterafgelegen kleine zaaltjes op - in achterbuurten of op de eilanden voor de kust van Schotland. Daar speelden we dan voor twee man en vijftig schapen.

“Echo & The Bunnymen liepen uit de pas. Wij waren ongrijpbaar, het soort band waarvan ouders liever niet wilden dat hun kinderen er naar gingen kijken. We liggen nog steeds niet goed bij volwassenen, gelukkig.”