Huis van vergiffenis

“Kerk!”, roept een bewaker. Twee trappen lager, op de begane grond, hebben de andere kerkgangers zich al verzameld. Het is een bont gezelschap en de godsdienstige motieven lopen sterk uiteen. Sommigen komen voor de koffie en de wijn, een paar voor God, de rest voor allebei. God scoort niet hoog in deze jungle, de godvruchtigheid van zijn bewoners evenmin.

Onder begeleiding gaan we op weg. “Ik heb er zeven voor de pater”, mompelt de bewaker in zijn walkietalkie als we het blok verlaten. Een paar blokken verderop komen er nog vier andere kerkgangers en een bewaker bij en zwijgend marcheren we naar God.

Voor zijn kerkje, een omgebouwd kantoortje, staat de pater ons al op te wchten.

“Tot straks”, mompelen de bewakers.

Ze mogen niet verder, voor hen is de kerk verboden gebied. Alleen al daarom zou je elke week naar de mis gaan.

Binnen voeren zo'n vijftien man in verschillende talen het hoogste woord. Er zit van alles wat, Antillianen, Zuid-Amerikanen, Afrikanen, Nederlanders, Oost-Europeanen, statenlozen, oplichters, dealers, dieven, moordenaars, en alles bij elkaar zijn ze al gauw goed voor zeker zeventig bajesjaren.

Langzaam gaat de pater de kring rond. Iedereen krijgt een hand, een bijbel en een paar vriendelijke woorden en bij de laatste kondigt hij - “Verplaats je in God, laat je geest bezinken, luister naar je hart, sluit de wereld buiten” - een bezinningsstilte aan.

Voor de meesten is zoveel inkeer te veel. Nerveus beginnen ze met hun voeten heen en weer te schuifelen en steeds harder te fluisteren en na een tijdje is het eigenlijk alleen nog maar de pater die, de ogen stijf dicht, de handen devoot gevouwen, bidt.

Na de stilte begint de mis. Vooral de Zuid-Amerikanen, ver van huis, nooit bezoek, moederziel alleen, zingen en bidden uit volle borst mee. Soms vraagt de pater of iemand uit de bijbel wil voorlezen, maar veel animo is er niet en meestal komt het erop neer dat de pater zelf maar weer begint te lezen.

Na het lied 'Hallelujah, O Heer' wordt er een bidpauze voor familie en vrienden ingelast. Er valt een doodse stilte. Niemand verroert een vin. Pijn en leed op alle gezichten, want iedereen hier weet wat het is om jarenlang je naasten te moeten missen. Een Colombiaan wiens moeder deze week is begraven, barst in snikken uit. Een Afrikaan kust al biddend de foto van zijn vrouw en een Nederlander naast me mompelt iets over zijn kind en vergiffenis.

“Ook dit is God”, zegt de pater tot besluit en gaat daarna met wijn en hosties rond. Het is het hoogtepunt van de mis, ingetogenheid alom en langzaam in elke mond een hostie schuivend en zijn kelk voor een slok tegen de lippen drukkend, schuifelt hij voorbij. Bijna iedereen doet mee en slechts een enkeling die zoveel God blijkbaar niet aankan, weigert.

“Wie wil er nog wat zeggen?”, vraagt de pater na de laatste hostie.

“Ja, ik”, zegt Tattoe John een paar stoelen verderop en hij begint te vertellen over de eenzaamheid van de nachten, het geschreeuw uit de cellen om hem heen en de sterren ver weg die het vaak nog erger maken. Zijn woorden gutsen eruit, soms stottert hij en een enkele keer valt hij stil en als er helemaal geen woorden meer zijn, stormt hij abrupt naar buiten.

Iedereen staart hem na en weet waarover hij het had: veel woorden waren het niet, maar ze waren wel hartstikke waar.

“Laat hem maar”, mompelt de pater.

De mis is voorbij. De bewakers staan al klaar.

'Hier tekenen', bijt de administrateur me toe. Met een allerlaatste handtekening heft gevangene 2025 zichzelf op. Ferdy Verschuur is terug.