G7-landen proberen in Londen te leren van Aziatische crisis; Rubin bestookt terughoudende Japanners

De zeven grootste industrielanden (G7) probeerden afgelopen weekeinde in Londen lessen te trekken uit de crisis in Azië. Zes van de zeven vonden dat Tokio onvoldoende zijn verantwoordelijkheid neemt.

LONDEN, 23 FEBR. Nog voor de bijeenkomst van ministers en bankpresidenten van de Groep van zeven industrielanden (G7) in Lancaster House was begonnen, kwam Japan al onder vuur te liggen. De Amerikaanse minister van Financiën, Robert Rubin, maakte zijn collega Hikaru Matsunaga zaterdagochtend in een bilaterale ontmoeting onomwonden duidelijk dat Japan veel te weinig doet om zijn economie te stimuleren. Daarmee ontloopt het ook zijn verantwoordelijkheid bij te dragen aan herstel van de door een crisis getroffen landen in Azië. “Japan heeft als tweede economie in de wereld een heel belangrijke rol te spelen”, zo zei Rubin na afloop.

Rubin had eerder gezegd dat de huidige crisis in Azië “de noodzaak van een sterke groei van de binnenlandse vraag” in alle landen van de G7 onderstreept. De Amerikaanse bewindsman drukte zijn “zorg” uit over de zwakte van de Japanse economie en het hoogoplopende handelsoverschot van Japan met de VS. Minister Matsunaga wees op de stimulerende maatregelen die Japan de afgelopen maanden al heeft genomen, waaronder een belastingverlaging en een fonds om de problemen in de banksector op te lossen. Volgens de drie weken geleden benoemde Japanse bewindsman hadden de andere landen deze Japanse inspanningen “niet helemaal begrepen”. Rubin riposteerde simpelweg dat het pakket “niet aan de doelstelling” voldoet. Matsunaga deed echter geen enkele toezegging over eventuele nieuwe stimulerende maatregelen.

De andere landen deelden de Amerikaanse kritiek op Japan, al stelden zij zich iets diplomatieker op. De Duitse minister Waigel onderstreepte dat in Japan niet alleen stimulering nodig is maar ook “structurele hervormingen”. Bundesbankpresident Tietmeyer sprak in dit verband van de noodzaak van een Japans “financieel beleid dat vertrouwen wekt”.

De kritiek op Japan werd weerspiegeld in de slotverklaring. Hierin wordt gewezen op het krachtige pleidooi van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) voor fiscale stimulering in Japan. Voor herstel van de “lage” economische activiteit in Japan is het volgens de G7 ook nodig dat Tokio doorgaat met versterking van het financiële systeem en deregulering in de financiële en andere sectoren om “de openheid van de Japanse economie te vergroten”.

De ministers en bankpresidenten gaven in hun slotverklaring over de wisselkoersen aan dat “excessieve waardevermindering” moet worden vermeden, waar dit tot nog grotere onevenwichtigheden in handelsbalansen leidt. De woordvoerder van minister Rubin had al eerder duidelijk gemaakt dat het gaat om de yen. Volgens hem hadden Rubin en Matsunaga in hun onderlinge overleg vastgesteld dat een “excessieve waardevermindering van de yen” onwenselijk is. De VS zijn bevreesd dat een te goedkope yen het handelstekort met Japan nog verder vergroot. Een te goedkope yen bemoeilijkt bovendien een oplossing voor de Aziatische crisislanden, die hun export willen opvoeren.

De G7-landen geven in de slotverklaring aan dat zij op “gepaste” wijze op de wisselmarkten zullen samenwerken. Deze vaker gebruikte formulering houdt ook de mogelijkheid van valuta-interventies in. De Aziatische crisis stond zaterdag in het G7-overleg centraal. Volgens de G7-ministers is het effect van deze crisis op de groei van de wereldeconomie dit jaar “beheersbaar”, indien de getroffen Aziatische landen hun hervormingen doorzetten en de rest van de wereld op de juiste wijze reageert. Waar de bewindslieden zich tamelijk positief uitlieten over de hervormingsinspanningen in Thailand en Zuid-Korea, toonden zij zich bezorgd over Indonesië. De jongste berichten als zou Jakarta toch afzien van het zeer omstreden plan voor snelle koppeling van de roepia aan de dollar, leek echter voor opluchting te zorgen. Minister Rubin “verwelkomde” gisteren de berichten hierover.

Indien de crisislanden Thailand, Zuid-Korea en Indonesië de met het IMF afgesproken hervormingen doorvoeren is er volgens de G7 op middellange termijn uitzicht op herstel van krachtige groei. Topman Michel Camdessus van het Internationaal Monetaire Fonds (IMF) gaf op de G7-bijeenkomst aan dat het effect van de Azië-crisis op de groei van de wereldeconomie in 1997 en 1998 samen minder dan een half procentpunt zal zijn.

Het IMF kreeg in Londen volledige steun voor de aanpak van de crisisbestrijding, vooral voor de nadruk die het IMF legt op structurele hervormingen. Het gaat hierbij om vermindering van oneigenlijke overheidsbemoeienis met de markteconomie, versterking van de financiële sector, het bevorderen van de transparantie in beleid en bestrijding van corruptie.

De ministers en bankpresidenten spraken uitvoerig over de “lessen” die uit de Aziatische crisis kunnen worden getrokken. Zij zullen aan de komende G7-top over drie maanden in Birmingham een rapportage aanbieden, waarover onder meer in het kader van het IMF ook met vertegenwoordigers van opkomende landen zal worden gesproken. In de slotverklaring wordt onder meer gesproken over versterking van het internationale financiële systeem door verbetering van toezicht en regelgeving voor banken en financiële instellingen, waarbij de internationale samenwerking moet worden verbeterd. Volgens de G7-ministers en bankpresidenten moet ook naar “nieuwe mechanismen” worden gezocht om ervoor te zorgen dat niet alleen de internationale gemeenschap, maar ook de particuliere banken de lasten voor het oplossen van financiële crises meedragen. Anders wordt de kiem gelegd voor een volgende crisis, omdat de banken opnieuw te gemakkelijk leningen zullen verstrekken. Tietmeyer noemde dit een van de belangrijkste onderwerpen tijdens de bijeenkomst in Londen. In de slotverklaring wordt de banken een “inadequaat oordeel” bij leningenactiviteiten verweten.

Overheden en particuliere instellingen moeten verder sneller, transparanter en preciezer statistische gegevens publiceren. Bundesbankpresident Tietmeyer noemde in een toelichting onder meer buitenlandse schuldposities. Volgens hem zouden die posities niet elke drie of zes maanden moeten worden gepubliceerd, zoals nu veelal het geval is, maar iedere maand. Voor landen die in gebreke blijven met de publicatie zou volgens Tietmeyer aan een “passende sanctie” moeten worden gedacht. Hij pleitte er verder voor dat de industrielanden die de leningen verstrekken, aangeven aan welke landen kredieten worden verstrekt. Dit zou betekenen dat banken in de industrielanden meer informatie moeten prijsgeven aan hun overheden, die de verzamelde gegevens vervolgens aan de financiële markten moeten verstrekken.

Over de meeste zaken, waaronder snellere en meer transparante gegevensverstrekking en beter banktoezicht, wordt sinds de Mexicocrisis van eind 1994 ook al binnen het kader van het Internationaal Monetair Fonds en de Bank voor Internationale Betalingen in Bazel gesproken. De G7-landen sporen in hun verklaring het IMF aan op het gebied van transparantie haast te maken met een vorig jaar op de jaarvergadering in Hongkong toegezegde 'gedragscode'.