Eeuwig timmeren aan het gereformeerde bolwerk

De gereformeerden werden onlangs opgeschrikt door een predikant die zich voordeed als pedofiel. De affaire leidde tot zijn aftreden en dat van de synodevoorzitter. Profiel van een snel veranderende wereld van mannenbroeders en zekerweters.

Hij heeft het gereformeerde leven nog meegemaakt zoals het veertig jaar geleden was. “Twee keer per zondag gingen we naar de kerk”, vertelt Jan van Butselaar, een 54-jarige gereformeerde dominee die van de Veluwe afkomstig is. Nu is hij secretaris van de Nederlandse Zendingsraad, een bureau in Amsterdam waarbij alle kerken hun zendings- en missieactiviteiten hebben ondergebracht.

“En denk niet dat dat een vreselijke tijd was of dat ik een trieste jeugd heb gehad. Verre van dat. Wat Jan Wolkers en Maarten 't Hart daarover hebben geschreven, gaf wel een zware vertekening. Dat lokale kerkelijke leven in Ede had juist iets erg aardigs, iets heel charmants. Elke zondag zag je elkaar. Van jongsaf aan. Die wereld vertoonde toen nog een perfecte eenheid. Er waren vijf predikanten met een grote verscheidenheid van gaven, maar één qua geloof.”

En vanzelfsprekend hadden ze maar één autoriteit: de bijbel die toen nog van kaft tot kaft waar was en het onfeilbare en onaantastbare woord van God bevatte. Daarnaast hadden de gereformeerden hun belijdenisgeschriften en 'formulieren van Enigheid': de Nederlandse Geloofsbelijdenis van Guido de Brès uit 1559, de Heidelbergse Catechismus van 1563 en de Dordtse Leerregels van 1619.

Zo zat ook voor Jan van Butselaar het leven in elkaar. “Je begon met de knapenvereniging voor de allerjongsten, dan kwam de jongelingsvereniging en ten slotte de mannenvereniging. Het was allemaal perfect georganiseerd en heel overzichtelijk.” Alles speelde zich af op het plaatselijke vlak. Er was een landelijke gereformeerde synode, maar die bestond slechts voor zolang ze bijeen was. Ging ze uiteen, dan was het landelijk verband verbroken en elke lokale kerk weer autonoom en zelfstandig.

In 1996 noemden circa 1,25 miljoen Nederlandse christenen zich gereformeerd. Ongeveer zeventig procent van hen behoorde tot de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) en de overigen tot de Vrijgemaakt Gereformeerden, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika, de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Nederlands Gereformeerde kerken, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland of de Oud-Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Van de GKN-gereformeerden loopt het totaal sterk terug, terwijl er bij de andere kerkgenootschappen van de gereformeerde gezindte sprake is van een relatief forse toename.

Sinds 1950 is er in een stevige wind door de GKN-kerken gegaan. Was het aanvankelijk nog een lichte bries, later kreeg hij een stormachtig karakter. Want hoe verging 't het gereformeerde volksdeel? Waren de Gereformeerde Kerken en de Nederlandse Hervormde Kerk met haar ongeveer 2,5 miljoen leden (1996) naar de beleving van veel gereformeerden in de jaren vijftig nog als vuur en water, nu zijn ze 'Samen op weg' naar een fusie waarbij ook de lutheranen zijn betrokken. Was het volgens de gereformeerde godsdienstsocioloog Gerard Dekker vijftig jaar geleden voor gereformeerden nog gebruikelijk om op de Anti-Revolutionaire Partij te stemmen, nu bestaat die partij niet meer. Er is alleen nog een politieke 'bloedgroep' van over binnen het CDA. De gereformeerden zijn volgens Dekker volkomen geïntegreerd geraakt in de Nederlandse samenleving. Hun godsdienstige en maatschappelijke emancipatie, die een goede honderd jaar geleden werd ingezet onder leiding van Abraham Kuyper, is voltooid en voorbij. 'Kleine luiden' zijn de gereformeerden al lang niet meer en het gereformeerde 'bolwerk van de zekerweters' is door henzelf bijna tot de grond toe afgebroken.

Zo constateerde de voormalige hervormde theoloog prof. H. Berkhof in 1991 al dat de Gereformeerde Kerken in Nederland in nauwelijks meer dan een kwart eeuw zo diepgaand veranderd zijn als bij geen enkele West-Europese protestantse kerk ooit het geval is geweest. Na lang aarzelen sloten de Gereformeerde Kerken in Nederland zich aan bij de Wereldraad van Kerken, de internationale oecumenische beweging die in 1948 in Amsterdam was opgericht. Pas in 1964 was het zover dat ook vrouwen gereformeerd predikant konden worden.

In de loop van de jaren zestig begonnen moderne theologische opvattingen in gereformeerde kring ingang te vinden. Minder God en meer mens. Vooral theologen als H.M. Kuitert en later ook H. Wiersinga maakten furore met hun boeken. De synode vond weliswaar dat zij 'onschriftuurlijke' opvattingen hadden, maar aan die afwijkingen werden geen kerkelijke tuchtmaatregelen verbonden. Kuitert sloeg zowel rechts als links binnen de kerken om de oren en van de zogeheten 'politieke theologie' die in de jaren zeventig en tachtig in zwang kwam, moest hij bitter weinig hebben. In tegenstelling tot Kuitert, die vlot schreef en wiens boeken een goudmijn voor zijn uitgever waren, bleef Wiersinga iemand die zijn theologische gelijk zocht maar het nooit helemaal heeft kunnen krijgen.

In 1969 vormde zich uit studenten van de Vrije Universiteit een gereformeerde actiegroep met de naam 'Synoodkreet'. Pieter Holtrop, een kerkhistoricus die tegenwoordig hoogleraar in Kampen is, was een van hen. Het was een groep die de Keizersgrachtkerk als uitvalsbasis had. Mient-Jan Faber, die later secretaris van het Interkerkelijk Vredesberaad werd en Sybold Noorda, die het tot voorzitter van onder meer de IKON bracht, hoorden er ook bij. Holtrop: “Het was enig, heel spannend. Met vlaggen en spandoeken demonstreerden we in de synode tegen de geringe aandacht die daar aan het probleem van de kernbewapening werd besteed.” Ook eiste de groep actie tegen de Zuid-Afrikaanse christelijke apartheidsideologie en bijzondere aandacht voor ontwikkelingssamenwerking en voor homofilie, omdat “de kerk, wanneer zij zich niet op korte termijn duidelijk zal laten kennen als kerk van het Evangelie in de wereld, haar rol naar buiten maar beter helemaal kan opgeven voor binnenkerkelijke binnenvetterij”.

Jan van Butselaar herinnert zich hoe er tegen het eind van de jaren vijftig een begin van een eind kwam aan het gereformeerde wereldje. “Ondanks de oorlog, ondanks Auschwitz, geloofden gereformeerden nog steeds in Gods almacht en liefde. Dat men zich zou afvragen hoe God alle oorlogsverschrikkingen had kunnen toelaten, was ondenkbaar; je kon God toch niet ter verantwoording roepen?”

Van Butselaar: “Plotseling verdween de strikte zondagsheiliging, de gereformeerde wereldmijding werd minder. Opeens mochten we dansen en kaarten en naar de bioscoop. En kort daarna kwam er ook een einde aan de eenheid van de gereformeerde belijdenis.”

Volgens de godsdienstsocioloog Dekker heeft zich in de ontwikkeling van de gereformeerde kerk eerst een aantal 'leerkwesties' voorgedaan en pas later praktische, ethische vraagstukken over bijvoorbeeld de kernbewapening (kruisraketten) en over homofilie. Dekker schrijft hierover in zijn boek 'De stille revolutie' (1992) en geeft aan dat in het bijzonder het synoderapport 'God met ons' uit 1981, dat onder leiding van de gereformeerde filosoof C.A. van Peursen was opgesteld, voor een doorbraak in het gereformeerde denken en geloof heeft gezorgd. Vooral omdat definitief werd afgerekend met de orthodoxe veronderstelling dat “in de bijbel - even onder de cultureel en historisch bepaalde oppervlakte - een sluitend stelsel van onhistorische, objectieve, altijd geldende waarheden te vinden zou zijn”. Van Peursen en zijn commissie stelden: “Zo'n systeem bevat de bijbel niet, noch op het gebied van de moraal, noch op dat van de theologie.”

“Leren leven met de bijbel; daar gaat het bij gereformeerden om, want de bijbel is het woord van God”, zegt Mattie Vroom-Jobse, theologisch docent aan de christelijke hogeschool Windesheim in Zwolle. “De gereformeerde cultuur was een cultuur van voortdurende bijbelstudie en naar preken luisteren. Altijd lag er een grote nadruk op de heiligheid van God die niet met zich laat spotten, maar gerechtigheid en rechtvaardigheid in het vooruitzicht stelt.”

Vroom: “Tegenwoordig spreken we over een flexibele of relationele theologie. De beslotenheid van de gereformeerde wereld is verdwenen. En dat onze kerken straks zullen opgaan in een Verenigde Protestantse Kerk, daar zie ik zeer tegen op. Daar heb ik heel gemengde gevoelens over want je moet zo ontzettend veel loslaten. Het is of je moet afkicken van je oude geloof en weer iets nieuws moet gaan opbouwen.”

Voordat hij predikant in Scheveningen werd, was dominee A.S. Rienstra vier jaar actief op Schouwen-Duiveland, vijf jaar in het Friese Anjum en acht jaar in Harderwijk op de Veluwe. Elke zondag is hij te beluisteren in de Pniëlkerk in Scheveningen. Gewoonlijk heeft hij zo'n 250 mensen onder zijn gehoor, maar zijn eigen kinderen zijn daar niet altijd meer bij, geeft hij toe. Rienstra behoort tot de rechtervleugel van de Gereformeerde Kerken in Nederland en is secretaris van het Confessioneel Gereformeerd Beraad. Men moet niet denken, zo zegt dominus Rienstra, dat zij mensen zijn die in het zwart gekleed gaan of iets tegen vrouwelijke predikanten zouden hebben.

Rienstra: “Wat ons dwarszit, is dat er onder gereformeerden geen eenheid meer bestaat. Dat komt vooral door de uiteenlopende opvattingen over het gezag van de bijbel. Een groot deel van de gereformeerden is onder invloed van Kuitert geraakt. Daardoor zien ze de bijbel als mensenwerk, meer als een bundel verhalen over God dan als het Woord van God. Tsja, als je geen gezag aan de bijbel meer toekent, dan gaan de meningen uiteen, dan is er geen gemeenschap meer mogelijk.”

Het Confessioneel Beraad blijft vasthouden aan traditionele gereformeerde beginselen en wil de band met de lichtzinniger gereformeerden beslist bewaren. We mogen, vinden de confessionelen, niet weglopen van de brancard waarop het zieke lichaam van de kerk is neergelegd. Volgens Rienstra neemt het verzet tegen de vrijzinnigheid sterk toe. “Ik denk dat we nu al een derde deel van alle gereformeerden uit onze kerken vertegenwoordigen.”

Jan van Butselaar: “We hebben alle ontwikkelingen luid toegejuicht, maar we moeten nu durven erkennen dat we daarmee ook te ver zijn gegaan. We hadden de centrale plaats van de bijbel beter moeten handhaven en meer respect voor de belijdenisgeschriften moeten tonen. In allerlei opzichten zijn we een beetje doorgeslagen. We gingen meedoen in de oecumenische beweging van de kerken, we ontdekten een wereld waarin kerkleiders de dienst uitmaakten. We moesten wel meedoen, want we wilden beslist niet ouderwets of bekrompen gevonden worden. Je kunt wel zeggen dat we in alle ontwikkelingen te ver zijn meegegaan en veel te werelds zijn geworden”.