De Appel speelt 'Ritter, Dene, Voss' van Thomas Bernard; Een wandelende casus van Freud

Voorstelling: Ritter, Dene, Voss van Thomas Bernard door De Appel. Vertaling: Karel Hermans. Regie: Aus Greidanus. Decor: André Joosten. Spel: Hubert Fermin, Sacha Bulthuis, Canci Geraedts. Gezien: 21/2, Appeltheater, Scheveningen. Nog te zien: aldaar t/m 14/3. Elders t/m 11/4. Inl. (070) 350 22 00.

Ensceneringen van Ritter, Dene, Voss, het misschien wel beroemdste stuk van de Oostenrijkse toneelschrijver Thomas Bernard, worden natuurlijk altijd vergeleken met de allereerste, van regisseur Claus Peymann, uit 1986. Die werd gespeeld door de acteurs, de intelligente acteurs, voor wie Bernard het stuk schreef en wier echte namen de titel vormen. Die voorstelling was dus, ongeacht de kwaliteiten, vanzelfsprekend maatgevend.

Ik heb die voorstelling nooit gezien, maar in het programma-boekje van toneelgroep De Appel, die het stuk nu in regie van Aus Greidanus heeft uitgebracht, staat een foto waarop Peymann, de drie acteurs en de in 1989 overleden schrijver het applaus in ontvangst nemen. In een rond decor, met een enorm, bijna kamervullend rond tapijt op de vloer. Huis clos, denk je, juist door dat vicieuze ronde.

André Joosten, decorontwerper van de enscenering bij De Appel, heeft de kamer in de grote villa van de familie Worringer niet rond gemaakt, maar rechthoekig. Rechts in de achterwand een hoog raam, links een deur, die toegang verschaft naar een gang, waarvan de imposante breedte zich laat vermoeden. In de rechterzijwand voert een deur naar de keuken, naast de lijst een lelijk intercom-apparaat. Vloer, in vlakken verdeeld plafond, en de drie wanden zijn uitgevoerd in schakeringen van hetzelfde deprimerende bruin, mogelijk resultaat van eeuwen sigarenrook. Aan het plafond hangt een tl-bak.

Joostens immense decor is een waardige vierde acteur in deze enscenering en - te oordelen naar de foto - een betere dan die in de Peymann-voorstelling. Het decor van De Appel geeft vanaf het eerste moment inzicht in de treurige status quo die Bernards stuk is: het in traditie, gewoonte, conservatisme en gebrek aan buitenlucht verstikte leven van de bewoners. Ze zijn, is de sterke suggestie van het decor, eigenlijk niet meer dan onontkoombaar resultaat van een levensstijl. En een onloochenbaar eindstation.

Knap en verstikkend is dus de ruimte die de acteurs Sacha Bulthuis als Ritter, Canci Geraedts als Dene, haar oudere zus en Hubert Fermin, als Voss alias hun broer de geesteszieke Ludwig, vullen. Acteurs die acteurs spelen die acteurs spelen enzovoort, want de toneelhatende Bernard heeft niet nagelaten van beide zuster-personages actrices te maken.

Ze zijn hun personages, deze acteurs, zoals ze ook zichzelf zijn. Het kan niet anders of Bulthuis rookt ook in het echte leven, minstens evenveel als in het stuk. En Geraedts poogt vast ook in haar eigen bestaan orde te brengen. Ze zijn mooi allebei: Bulthuis onverschillig en op afstand, op onvoorspelbare en kortstondige explosies na. Geraedts verbeten, even onvermoeibaar optimistisch als verbitterd, lijkt het. Ze zet misschien iets te vaak grote ogen op, de onverstoorbare Bulthuis laat zien dat helderheid zonder expressie kan.

Hubert Fermin, vertolker van het centrale personage, de broer die de inrichting verlaten heeft en het leven van zijn zussen is komen terroriseren, is goeddeels prachtig. Een uit zijn krachten gegroeide knaap met bloempot-kapsel. Cynisch, kinderlijk, een wandelende casus van Freud, een gemeen jongetje, hyperactief maar ook morsdood bij leven want van ondoordringbaar beton. Alle schilderijen van de familieleden moeten van de wanden afgehaald, de kast verschoven, de staande klok ook: retouches terwijl een bom nog niet voldoende zou zijn om dit leven weer op gang te krijgen. Dat toont Fermin overtuigend.