Dali koos verkeerde carrière

Het Uur van de Wolf: Het genie Salvador Dali. 23.22-00.22u. NPS, Nederland 3.

Geen begrip zo rekbaar als het woord genie. Want wanneer is iemand een genie? Goed, Michelangelo was er vast een, net als Shakespeare, Leonardo da Vinci, Bach en Mozart. Maar verder? Was Goethe een genie of een handige veelschrijver? En wat te denken van Rafael, of Oscar Wilde of van Salvador Dali?

Over die laatste hebben de makers van de documentaire Het genie Salvador Dali geen twijfel: ja, Salavdor Dali (1904-1989) was een genie, stellen ze, maar waarop ze die kwalificatie baseren, blijft in het vage. Dat komt vooral doordat regisseur Mike Dibb en Dali-biograaf Ian Gibson, die we volgen op zijn tocht langs woonhuizen, minnaressen en natuurlijk het Spaanse Dali-museum, met open ogen in de val zijn getrapt die Dali bij zijn leven uitzette: ze hebben zich volledig gestort op zijn persoonlijkheid en daarbij is de aandacht voor zijn werk er wat bij ingeschoten.

Nu wordt dat wel begrijpelijk als je de archiefbeelden van Dali ziet: vooral na 1940 is hij prachtig filmmateriaal, met die snor die als een hooivork langs zijn neus priemt, met zijn rollende ogen, zijn brede armgezwaai en die pose van de verbaasde aristocraat waarmee hij zo ongeveer het symbool van de 'geniale' kunstenaar werd. Helaas bleek die pose na zijn dood niet het interesantste aan Dali; dat was eerder de vraag hoe een getalenteerd schilder kon veranderen in een wandelende kerstboom, die alleen nog maar leek te schilderen omdat hij daar zijn status aan te danken had.

Gelukkig doen Dibbs en Gibson wel een poging Dali's persoonlijkheid te verklaren, wat mooie stukken film oplevert. Zo komt Dali's jeugd uitgebreid aan de orde: de liefde voor zijn geboorteplaats, de relatie met zijn vader en zusje en de vriendschap met dichter Federico García Lorca en filmer Luis Buñuel (met wie Dali onder andere Un Chien Andalou maakte) die hij leerde kennen op de academie in Madrid.

In die tijd wordt Dali afgeschilderd als een onzekere jongen, bang voor seksualiteit, voor wie het surrealisme als geroepen komt om al zijn angsten in te sublimeren: een aannemelijke verklaring voor de enorme hoeveelheid krukken (symbool voor de impotentie) vliegende borsten, kelken, wegrottende ezels, penissen en masturbanten die zijn schilderijen bevolken. Ook levert dit gedeelte de aardigste anekdotes op, zoals het verhaal dat Dali op het idee kwam voor zijn Persistence of memory (de beroemde druipende horloges) nadat hij een stuk camembert had gegeten.

Het gaat pas mis met Dali als hij zijn latere echtgenote Gala ontmoet, zich aansluit bij de surrealisten en onder invloed van André Breton aan de roem begint te snuffelen. Die blijkt al snel verslavend te zijn en Dali moet er steeds harder voor werken om haar te bestendigen. Zo wordt de schilder een performer, een celebrity, die steeds krampachtiger kunstjes gaat uithalen om in vredesnaam maar in de aandacht te blijven.

Die verslaving aan roem en aandacht is een fascinerend mechanisme dat zich met de toename van het aantal media steeds vaker voordoet (zie bijvoorbeeld schrijfster Connie Palmen). Het is dan ook jammer dat de makers van Het genie Salvador Dali zich op het eind verliezen in details. Daardoor raakt Dali's tragiek wat op de achtergrond: een getalenteerd kunstenaar, die meer dan veertig jaar zat opgesloten in een zelfgekozen pose. Ondertussen zien we Dali steeds ouder en droeviger worden - de trotste puntsnor gaat steeds meer hangen. Daarmee is Het genie Salvador Dali een droevigmakend portret van een goede schilder die tegelijk een matige performer was - en die koos voor de verkeerde carrière.