Blues over een Romeinse arts

Hermeneus, 5 nrs. per jaar. Prijs per nummer ƒ 10,- Uitg. Ter Burg Offset, tel. (072) 515 22 22.

Het is een wonderlijk maar verheugend verschijnsel dat, terwijl iedereen opmerkt dat de belangstelling voor geschiedenis tanende is, de belangstelling voor de oudheid eerder toe dan af lijkt te nemen. Niet alleen worden alle grote en geleidelijk aan ook alle kleinere auteurs vertaald, ze worden ook gelezen, tentoonstelingen worden bezocht, en schrijvers maken nog altijd graag gebruik van mythologische stof of van andere elementen uit de oudheid.

Van verschillende Nederlandstalige auteurs zijn de verwijzingen naar de oudheid uitgezocht. Paul Claes schreef de omvangrijke studie De mot zit in de mythe over Hugo Claus' verwerkingen van antieke stof en classicus Rudi van der Paardt heeft van talloze schrijvers uitgezocht wat ze met de oudheid hadden en deden. Sinds 1990 verschijnt ook de reeks Receptie van de klassieken, met in de redactie dezelfde Van der Paardt, waarin literaire en soms ook schilderkunstige verwerkingen van de klassieken behandeld worden: Orpheussymboliek in Hermans' Geyersteins dynamiek, Plato in de gedichten van Ida Gerhardt, de Griekse sonnetten van S. Vestdijk.

In Hermeneus, 'tijdschrift voor antieke cultuur' gaat Vincent Hunink na hoe het met de oudheid bij de dichter H.H. ter Balkt zit, die naar Huninks mening tot nog toe ten onrechte door onderzoekslustigen is overgeslagen. Helemaal waar is dat niet, in de al genoemde reeks Receptie van de klassieken heeft neerlandicus Ad Zuiderent al eens de vermeende schatplichtigheid van Ter Balkt aan Livius zo precies nagegaan, dat er van die schatplichtigheid zo goed als niets meer overbleef. Ter Balkt, liet hij zien, keerde Livius zo binnenste buiten dat Livius tot niet veel meer werd dan een druppeltje maggi in Ter Balkts soep.

Was Tacitus ooit aan de Noordzee zoals Ter Balkt ons wil doen geloven? Natuurlijk niet, maar in Ter Balkts gedicht 'Tacitus op 't Noordzeestrand' was hij er wel degelijk en overdacht hij het verschil tussen het decadente en zonnige Rome en de ruige eenvoudige toestanden in onze streken. Hunink is een goede lezer die de subtiliteiten van Ter Balkts gedicht met graagte en kennis van klassieke zaken opdiept.

En hij vindt meer: een complete Romeinse oogarts die door Ter Balkt als personage in een gedicht gebruikt wordt. Hunink traceert deze Marcus Ulpius Heracles als woonachtig te Nijmegen, vindt in Museum Kam een door deze arts gebruikte stempel en stelt vast dat Ter Balkt hem een paar eeuwen later heeft laten leven. Dat kwam beter uit.

Waarom is zo'n stuk toch zo bevredigend? Het geeft het gevoel dat men veel verder en dieper in het oeuvre is doorgedrongen doordat de achtergrond waartegen het (ook) geschreven is nu veel duidelijker is geworden en daardoor beter meedoet. Als er dan bovendien plaatjes van het al genoemde stempel van de Ter Balktse oogarts en van een 'beker in terra sigilata', het aardewerk dat nogal eens in Ter Balkts gedichten voorkomt, bij worden afgedrukt, geeft dat een bijna opgetogen gevoel van vergroot inzicht. Bovendien is het een prachtig gedicht, dat over de blues van de Romeinse oogarts 'die in de winter van 401/402 de laatste Romeinse cohorten zag wegtrekken langs de rivier de Waal', zoals de krankzinnig lange titel vermeldt.

En dan hebben we nog maar één stuk uit Hermeneus gelezen en nu al zo'n goed humeur. Wie doorleest treft ook nog de vermakelijke geschiedenis van het woord 'suïcide' aan, on-Latijn dat eigenlijk 'moordenaar van zijn eigen' betekent zoals Anton van Hooff uiteenzet, en dat een fatsoenlijke Romein dus niet uit de pen kreeg. Het is een veel later 'latinoïde' baksel, uit de 12de eeuw, ontstaan in een tijd toen er weinig zo verwerpelijk werd gevonden als bij voorbeeld de dood van Seneca: 'Wil je weten hoe verwijfd hij zich doodde?'.

En dan is Hermeneus nog steeds niet uit, Carthago komt er nog in voor, en de opmerkelijke gedragingen van de experimentele archeologie (verkleed als Romeinse soldaat van Augsburg naar Rome lopen, schijnt populair te zijn).