Aziëcrisis

Eezing was een lange beweeglijke man van veertig. Een agrariër met steenrood gepermanent haar. Hij vertelde over zijn werk en maakte een wegwerpgebaar. De varkenscrisis en de melkquota gaven hem geen broodwinning meer. O nee. Hij was in zaken en wees met de vinger omhoog. De handel op Azië bracht hem meer dan hij verwacht had.

Een partij sinaasappels die hij in Marokko opkocht voor eentwintig ging via Singapore van de hand voor het dubbele, tweeënhalf, handelsjargon voor 250.000 gulden. Hij lachte nerveus: “Niet gek voor zo'n boer.”

Ik werd nieuwsgierig. Want ik herinnerde me de vergrijsde gotenuitlakker in onze stad die oldtimers (hij zei 'ooltijmers-ouwe auto's') uit Cuba importeerde en ze in Polen liet opknappen voor de Duitse markt. Zijn contactman was een invalide piloot uit Havana die hij een doos penicilline cadeau gaf. En het handjevol dollars natuurlijk, want hij sprak geen vreemde talen.

De zoon van vrienden is MEAO-er. Hij koopt T-shirts in Thailand per container. Soms verzuimt hij van school voor een retour Bangkok. Tijdens de pauzes vent hij zijn GSM-handel bij supermarkten uit. En mijn buurman doet in aandelen, hij heeft al enige duizenden verdiend.

En ik? Ik slof elke dag braaf naar mijn artsenpraktijk. Geen wonder dat ik niet vooruit kom.

Nu dan Eezing. Hij handelt op het Verre Oosten maar heeft een mankement in het lichaam gekregen.. “Ik ben slecht in orde geraakt”, zei hij. Hij had last van schuddingen en brakingen die nadere analyse vereisten.

“Hebben de zaken niet teveel van je gevergd zodat het in je lijf geslagen is”, vroeg ik. Hij ontkende het met klem. Hij had een contract met een betrouwbare Aziaat, die zeer rijk was, zo rijk dat hij met diamanten op zijn daagse schoenen liep. Hij kon zijn bewondering nauwelijks onderdrukken. Ik knikte en zond hem voor onderzoek langs medische loketten. En mijmerde over ome Jan uit Amersfoort. Hij was de held van mijn naoorlogse jeugd, een veehandelaar die zaken was gaan doen op Europese schaal, maar met wie het slecht was afgelopen. “Ome Jan gaat naar 't buuteland”, zeiden ze in onze familie bij overmoedige plannen.

De laborante sloeg alarm over Eezing. Hij had een flauwte gekregen na de afname van het eerste buisje bloed. Bleek en languit lag hij op de stretcher. Hij richtte zich juist op toen ik binnenkwam. “Brr, die bloedaftap”, zei hij.

“Heeft de Aziaat je sinaasappels al betaald”, vroeg ik bij ingeving. Hij schudde het hoofd en ging weer liggen. “Daarom loopt hij met die diamanten op zijn schoenen”, zei ik. Hij keek me somber aan. “Niet betaald”, mompelde hij. In zijn oksels verschenen grote transpiratievlekken.