Zware les voor Nederland en VS

Amerikaanse, Nederlandse en Spaanse leraren in het voortgezet onderwijs zijn in een internationale vergelijking het slechtst af. Hun lesroosters zijn zwaarder en de klassen groter dan in andere landen, maar hun beloning is lager. Dit blijkt uit het onlangs verschenen onderzoek Education at a glance van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De cijfers die de onderzoekers gebruiken zijn weliswaar uit 1995, maar ze zijn volgens hen nog steeds representatief.

Docenten in Denemarken, België en Oostenrijk zijn in die vergelijking beter af. Hun lesrooster is minder zwaar (700 uur), en de klassen zijn kleiner (elf tot vijftien leerlingen). Hoewel het jaarsalaris lager is dan in de eerste groep landen ligt hun uurloon door de geringe werkdruk iets hoger. In Duitsland, Ierland en Frankrijk zijn de klassen iets groter, maar daar verdienen docenten veel meer.

Nederland geeft minder uit aan onderwijs dan andere lidstaten van de OESO. Hier wordt 5,4 procent van het nationaal inkomen voor onderwijsdoeleinden aangewend. Het gemiddelde in de OESO-landen is 6 procent. Van de Nederlandse uitgaven gaat bovendien een groot deel naar wetenschappelijk onderzoek aan de universiteiten, zodat voor leerlingen in voortgezet en basisonderwijs relatief weinig overblijft.