Winters Wallonië en ander ergs

Vóór een van de boerenjongens het in de gaten had, stond de handelaar in agrarische producten van binnen in brand. De fles met pesticide lag naast hem op de grond en stroomde langzaam verder leeg. De man, die een kwartier tevoren nog een pak hoefnagels over de toonbank had geschoven en tot op de frank nauwkeurig een groot bedrag aan wisselgeld had neergeteld, brulde zo hard dat het tot in de weilanden rond Neufchâteau te horen was.

De ambulance uit Libramont arriveerde laat zodat het verdelgingsmiddel zich door de maagwand diep in de weefsels kon vreten. Hij was niet meer te redden, de radeloze, maar dat had hij ook niet gewild: omdat hij van deze wereld weg wilde had hij de fles gepakt die het minst voor de hand lag maar in zijn winkel op een van de schappen vlak achter de geldla stond.

Het nieuws bereikte het café het eerst. Ik zat met vrienden in een stalachtige uitbouw een Trappist te drinken toen er een stilte viel; alleen de jukebox dreunde nog een halve schlager door. Maar even later, toen alle glazen door de waardin als vanzelfsprekend waren volgeschonken, werd met plotseling oplaaiend kabaal het volksgericht ingesteld. Iedereen leek te weten welke situatie tot de zelfdoding had geleid maar tot het moment van de voltrekking had iedereen over de dreiging gezwegen: de handelaar in agrarische producten had op bestelling twintig hectare bouwgrond met kunstmest laten bestrooien, maar de bestelling was gedaan door de eigenaar van de belendende twintig hectaren. De ene boer had alsnog zijn kunstmest opgeëist, de andere had zich in zijn handen gewreven. De handelaar was een weeklang bespot en voor varkenskop uitgemaakt en zijn eerdere vergissingen werden opgerakeld zodat de schande groeide. Hij had zich achter zijn toonbank verschanst tot hij ten slotte, op oudjaar, zijn arm uitstak, de fles greep en hem voor het oog van de twee klanten aan zijn lippen zette.

Wie viel er aan te klagen, vroeg het hele café zich af: de ene boer? De andere? De handelaar zelf? Of, vroegen wij, alle drie geboren en getogen op het platteland, ons in onze stalachtige uitbouw af, was het niet eerder de schrale grond met zijn armoe, was het de leistenen somberheid van dit lege, zuidelijke deel van de Ardennen dat sowieso 's winters tot vertwijfeling leidt?

Er werd schielijk gedronken en de tongen kwamen los: in de Ardennen is het water van de riviertjes helder, maar troebel is de ondergrond, en zo groot als de huizen zijn, zo klein zijn de ramen waardoor je naar binnen of naar buiten kijkt; bij de boerderijen ligt de mestvaalt tot aan de straat; de in ongerede geraakte landbouwwerktuigen worden niet weggesleept zodat ze bij iedere regenbui dieper de grond in zakken en in een willekeurige opstelling met het erf vergroeien tot in een volgend geslacht; hartstocht lokt, meer dan elders, het noodlot; in de meeste schuren hangen geweren voor de jacht, maar soms is de kogel niet op wild maar op de jager of jageres zelf gericht.

Het was ook in een wintermaand, vernamen we in het overvolle café, dat in een gehucht niet ver van Neufchâteau een oud bedrog uitkwam. De verloofde van Martine had jarenlang een geheime vrouw bekend, terwijl hij toch een huis had laten bouwen en jong vee had gekocht. Aan Martine's bruidsjapon ontbrak alleen nog de sluier toen hij op de vlucht sloeg. Het bestaan van de geheime vrouw rolde de straat over tot voor Martine's deur. Het gehucht sprak schande, schande vermengd met leedvermaak want hoe kon een vrouw zo dom zijn, zo blind voor wat voor anderen zo zichtbaar was? Martine maakte zich op. Ze trok haar trouwjurk aan en ging in heel haar maagdelijkheid in de deuropening staan. Voor het oog van de buurt drukte ze de loop van het geweer tegen haar verhemelte en haalde de trekker over. Uit wraak, zei de waardin terwijl ze de met sneeuwslingers versierde cafédeur in de gaten hield. Ze had alleen zichzelf ermee, riep haar man vanachter de kassa, de verloofde was zelfs beter af: huis, jong vee, geheime vrouw, álles kwam hem dankzij het geweerschot toe. Uit trots, meenden lichtaangeschoten meisjes, uit vernedering.

Het water van de riviertjes in de Ardennen is helder, maar troebel is de ondergrond. Fran,cois heeft zich in de Ourthe verzopen, vingen we op, omdat ook híEÉj met de verkeerde vrouw sliep en de waarheid de leugen midden op het dorpsplein, bijna in het kerkportaal, had ingehaald. Marcel hing zich op, niet uit krenking of onbevredigd verlangen maar omdat zwartgalligheid in zijn familie zat. Francine sloeg een onderwijzer vier voortanden uit zijn mond omdat hij aan haar dochter had gezeten, en een paar dagen later kwam ze nog eens terug naar het schoolplein om harder uit te halen; het vergrijp had een vol jaar geduurd, 's middags na vieren, tussen bijles Frans en etenstijd.

De plaatselijke negatieve straling en de hekserij kwamen met plotseling gedempte stemmen ter sprake. Toen wilden wij weg. Het was immers ons plan geweest om van het oude jaar in achteloze vrolijkheid afscheid te nemen en het nieuwe even achteloos en vrolijk binnen te halen in een ongerepte omgeving waar, hopelijk, sneeuw zou liggen; deze modderboel, deze noodlotlawine hadden we niet verwacht. We betaalden en wrongen ons tussen de samengepakte cafégasten door naar buiten. Het liep tegen negenen. Links van ons lichtte de supermarkt Delhaize op. Recht voor ons verhief zich in heel zijn schrikbarende donkerte het gerechtsgebouw van Neufchâteau met de trappen waarlangs de geboeide moordenaar Dutroux na zijn verhoor door de politie naar beneden werd getrokken, de dienstauto in, terwijl een joelende menigte vanachter hekken vergelding eiste. Tegen een muur was een affiche geplakt met vier verdwenen kindergezichten en een oproep tot waakzaamheid.

Het was Marie, de eendenfokster van de overkant, die ons de volgende ochtend kwam vertellen dat de handelaar in agrarische producten aan zijn inwendige verbranding was bezweken. Een smartelijke dood, zei ze, die hij niet aan de twee boeren maar aan zichzelf had te wijten. Hij kropte altijd alles op. Hij broeide. Hij stond eigenlijk al in brand vóór hij de slok gif nam. Hij had de kunstmest noch op het ene noch op het andere perceel maar op zijn schrale verstand moeten laten uitstrooien. Hij had niet moeten wanhopen als de eerste de beste burgervrouw.

Schokschouderend liep ze terug naar haar eenden en haar pint nieuwjaarsbier, en wij, wij reden tegen de avond noordwaarts, terug naar huis.