'Werk, werk, werk'....ook in arme landen

'Werk, werk, werk' is het devies van het kabinet-Kok als het gaat om het economisch beleid voor Nederland. Zou hetzelfde devies niet moeten gelden voor de ontwikkelingssamenwerking met arme landen? Productieve werkgelegenheid is immers de beste vorm van armoedebestrijding. Meer ontwikkelingsgeld zou dan direct moeten worden ingezet voor het bevorderen van particuliere investeringen in ontwikkelingslanden.

Jaarlijks wordt 0,8 procent van het Nederlandse bruto binnenlands product aan arme landen besteed, wat overeenkomt met ruimt 6 miljard gulden. Nederland is een van de zeer weinige landen die voldoet aan de VN-norm om 0,7 procent van het bbp aan hulp te besteden. Het gaat dan om de zogenoemde Official Development Aid, in het ontwikkelingsjargon aangeduid als 'ODA' naar de definitie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

De omvang van de hulpbestedingen groeit automatisch mee met het Nederlandse bbp. Het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking wordt geacht zorgvuldig naar de effectiviteit van de miljardenuitgaven te kijken. Indien de inspectie te velde problemen signaleert, onderneemt het departement de noodzakelijke actie. Maar die toetsing is in zekere zin slechts marginaal.

Nog niet gezegd is dat de gelden ook werkelijk op de meest effectieve wijze worden besteed. Pas sinds kort is in de Nederlandse 'ontwikkelingswereld' voorzichtig de discussie op gang gekomen of niet beter meer geld kan worden besteed aan de bevordering van de particuliere sector in de arme landen.

Voorzitter Blankert van VNO/ NCW J.C. Blankert gooide onlangs tijdens een symposium van zijn eigen werkgeversorganisatie de knuppel in het hoenderhok met een provocerende stelling. Volgens Blankert geeft het Nederlandse ontwikkelingsbeleid door krampachtig vast te houden aan de ODA-norm een “impliciete prikkel” om het minst effectieve instrument te gebruiken als het gaat om giften, leningen en garanties.

Het budgettaire beslag van leningen en garanties valt namelijk niet onder ODA-norm, alleen kwijtschelding van kredieten en aanspraken op garantstellingen behoren tot ODA-uitgaven. Als Nederland dus relatief meer geld zou besteden aan leningen en garanties voor activiteiten van het particuliere bedrijfsleven in ontwikkelingslanden, kan de hoeveelheid ODA-hulp onder de VN-norm van 0,7 procent komen. En het halen van die norm wordt zeker in Nederland als bewijs van goed gedrag gezien.

Blankert verkeert met zijn betoog in het goede gezelschap van de voltallige Sociaal Economische Raad. De SER kwam eind vorig jaar met een ongevraagd en unaniem advies aan het kabinet. Werkgevers, werknemers en kroonleden pleitten eensgezind voor aanpassingen in het Nederlandse hulpbeleid door het bevorderen van de particuliere bedrijvigheid “meer op de voorgrond” te plaatsen. De SER wijst op de “hardnekkigheid” van het armoedeprobleem, ondanks de vele honderden miljarden die de afgelopen decennia door de industrielanden zijn geschonken. En juist de ontwikkelingslanden die zich via particuliere investeringen in de wereldmarkt integreerden, maakten de grootste groei door.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat 'traditionele' armoedebestrijding niet op zijn plaats is. Zeker humanitaire en noodhulp moeten altijd beschikbaar zijn. Bovendien is ook nog steeds veel hulpgeld nodig voor zaken als onderwijs en gezondheidszorg. Ook zulke uitgaven helpen overigens de particuliere sector, want die kan niet zonder goed opgeleide en gezonde arbeidskrachten. Dat geldt ook voor andere hulpuitgaven die een versterking betekenen van de 'enabling environment' voor particuliere bedrijven, zoals versterking de fysieke en kennisinfrastructuur, de ontwikkeling van een locale financiële sector en een goed lokaal bestuur.

Slechts een zeer gering deel van de begroting van Ontwikkelingssamenwerking komt nu direct ten goede aan activititeiten van de particuliere sector in ontwikkelingslanden. Zo gaat dit jaar bijvoorbeeld slechts 155 miljoen gulden naar de Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO). Dergelijke uitgaven tellen niet mee in de ODA-norm. De FMO is de Nederlandse ontwikkelingsbank bij uitstek (in 1970 opgericht als gezamenlijke onderneming van de staat en het bedrijfsleven) die is gespecialiseerd in de financiering van particuliere bedrijven en financiële instellingen in Afrika, Azië, Latijns-Amerika en Oost-Europa.

Het zijn de regeringen van ontwikkelingslanden zelf die steeds meer om steun voor particuliere investeringen vragen. De president van Eritrea, Isaias Afwerki, confronteerde er vorig jaar een bezoekende Nederlandse Kamerdelegatie mee. Hij keerde zich zelfs tegen ontwikkelingshulp, omdat deze de Eritrese bevolking “geen gevoel van eigenwaarde” bijbracht. Bovendien werkte ontwikkelingshulp volgens Afwerki corruptie in de hand. De Nederlandse Kamerleden waren, zo bleek tijdens het symposium van VNO/NCW, enigszins verbouwereerd achtergebleven.

Tijdens het symposium hield vice-president J. Rischard van de Wereldbank een geïnspireerd betoog over het business partnership for development, dat in het bankbeleid tegenwoordig zo'n belangrijke rol speelt. In de Nederlandse 'ontwikkelingswereld' is dat nog veel te vaak vloeken in de kerk.