Vreemde vondst in kippenhok

Niet bekend

In de loop van 1993 werd een bom gevonden die kennelijk was bedoeld voor verspreiding van een biologisch preparaat. Kort daarna kwam, op grond van exportverklaringen, vast te staan dat in 1988 en 1989 in totaal maar liefst 39 ton kweekmedium was geleverd waarop (ook) miltvuur- en botuline-bacteriën waren te kweken. Iraakse ziekenhuzen verbruikten in de periode 1987-1994 jaarlijks maar 200 kilo kweekmedium en dat werd altijd geleverd in kleine flessen. Niet in vaten van 25 tot 100 kilo.

Irak bleef het bestaan van een BW-programma ontkennen. In een zogenoemde 'full, final and complete disclosure' (FFCD) die na veel aandrang in maart 1995 werd overhandigd door Irak heette het dat tussen 1985 en de inval in Koeweit slechts tien onderzoekers bij Salman Pak aan biologische wapens hadden gewerkt. Er was geen sprake van een offensief programma en al helemaal niet van 'weaponization': wapenproductie.

UNSCOM handhaafde de druk en op 1 juli 1995 onthulde Tariq Aziz in een gesprek met het toenmalige UNSCOM-hoofd Rolf Ekéus dat Irak wel degelijk een offensief BW-programma had gehad - maar geen 'weaponization'. Op 7 augustus zocht generaal Hussein Kamel Hassan, schoonzoon van Saddam Hussein en verantwoordelijk voor het biologische programma, asiel in Jordanië. Een week later werd Ekéus opnieuw ontvangen in Bagdad.

Er volgden meer onthullingen: er was wèl weaponization geweest. Toen Ekéus op 20 augustus op het punt stond terug te vliegen naar New York kreeg hij de tip om op weg naar het vliegveld even langs te gaan bij een boerderij die van Hussein Kamel Hassan was geweest. Daar vonden verbaasde UNSCOM-inspecteurs in een afgesloten kippenhok een groot aantal stalen en houten kisten met een overweldigende hoeveelheid documenten, computer-diskettes, microfiches, videotapes en foto's over het Iraakse biologische programma: de 'chicken farm documents'.

Vast staat nu dat het Iraakse BW-onderzoek serieus begon in 1985 en dat in totaal 5 bacteriestammen, 1 schimmel, 5 virussen en 4 toxinen werden onderzocht (bovendien een paar onschuldige 'simulanten'). Het zwaartepunt van de productie lag bij Al Hakam waar een fabriek stond die, zogenaamd, bacteriën kweekte als eiwitrijk supplement voor veevoer (Single Cell Protein).

Het onderzoek aan de virussen, die op kippeneieren werden gekweekt, liep in 1990 vast. Ook het werk aan de schimmel, een Ustilago-soort die tarwe aantast (brand), werd niet doorgezet. Onder de onderzochte toxinen bevond zich het zeer gevaarlijke ricine (uit de wonderboom Ricinus) en het door de Fusarium-schimmel geproduceerde tricotheceen (bekend van de 'yellow rain'). Onder de bacterien bevond zich ook Clostridium perfringens, veroorzaker van gasgangreen.

Uiteindelijk zijn maar drie agentia grootschalig in productie genomen: de miltvuurbacterie Baculus anthracis, de botuline-producnet Clostridium botuline en de schimmel Aspergillus flavus die het toxine aflatoxine produceert. Die laatste keuze is een mysterie, omdat aflatoxin niet acuut giftig is maar vooral kankerverwekkende eigenschappen heeft.

Zoals bij de andere wapenprogramma's steunde Irak zwaar op buitenlandse toelevering. Bacteriestammen kwamen uit de VS en Frankrijk. De fermentoren kwamen uit Italië, Zwitserland en Duitsland. Kweekmedia werden geleverd door Oxoid in Engeland en Fluka Chemie in Zwitserland. Het Deense Niro Atomizer leverde een spray-dryer.