Unilever

'Unilever kan zichzelf gaan verwennen', onder deze titel schreef redacteur Remmelt Otten in optimistische bewoordingen over dit paradepaardje van onze beurs (NRC handelsblad, 14 februari).

Maar, zegt Otten, niet alles is zonneschijn. Had Unilever in de jaren tachtig nog evident een relatieve voorsprong op vrijwel alle concurrenten in de VS en in Europa, zoals Procter & Gamble, Coca Cola, Nestlé, l'Oréal etc., in de jaren negentig doen zich inhaalverschijnselen gelden. In enkele sectoren kan zelfs van opgelopen achterstanden worden gesproken. Bovendien, als gevolg van de kleine thuismarkten in Groot-Brittannië en Nederland, is het concern al tientallen jaren gedwongen aanwezig in vreemde markten als Brazilië en India.

In dit verband kan men zich afvragen: wat is een thuismarkt, voor een multinational als Unilever? Men zou zich kunnen verbazen dat Unilever, ondanks zijn aperte marktmacht, er klaarblijkelijk niet in heeft willen of kunnen slagen zijn wereldberoemde Blueband-merk voor margarine in andere lidstaten ingang te laten vinden. Waarom de Jif van Unilever in Denemarken Vim heet. In België Cif en in Duitsland Viss. Ook de verpakkingen deviëren qua inhoud en kleur.

Door deze product- en merkendifferentiatie, die niet door enige lidstatelijke eigenheid wordt afgedwongen, heeft Unilever kans gezien, ook na 1 januari 1958 (EEG-verdrag) de lidstaatmarkten kunstmatig opgesplitst te houden. Had zij dit anders aangepakt, dan had Unilever over een thuismarkt van meer dan 250 miljoen consumenten beschikt. De concurrenten van Unilever, en vele andere, hebben in de jaren zeventig besloten door de EEG-sluis te gaan, en daarvoor destijds tijdelijke marktvoordelen opgegeven, fabrieken gesloten, kartels beëindigd en marktpressie op grootafnemers gestaakt. Ze hebben nu grotere fabrieken, met ruimere marges en de grotere thuismarkten waarnaar de EU al veertig jaar streeft. Op wat langere duur: in het eigen belang van de bedrijven.