Spraakverwarring in kleuterland; Taalgevoel Marokkaantjes is gebaat bij lessen Berbers

Zeventig procent van de Marokkaanse kleuters spreekt Berbers, maar op school wordt met hun taal niet veel gedaan. Dat leidt tot cognitieve problemen. Er komt dus een wet.

EEN PEUTER KENT drieduizend woorden als hij voor het eerst naar school gaat. “Dat zijn alledaagse woorden als tafel, stoel, groen, blauw, rood”, zegt Farid Bourjila van het Schooladviescentrum in Utrecht. “Die woordenschat wordt in groep een en twee spelenderwijs uitgebouwd. Bijvoorbeeld: je hebt een tafel, wat kun je daarmee doen? Ik eet aan tafel. En de stoel? De stoel staat onder de tafel. Het kind leert relaties uit te drukken en te abstraheren. Dat is later in het onderwijs van essentieel belang. Een kind moet ongeveer achtduizend woorden kennen om in groep drie op cognitief niveau mee te kunnen.”

Voor Nederlandse kinderen hoeft dit geen probleem te zijn. Hun moedertaal wordt in de klas voortdurend gestimuleerd. Turkse en Marokkaanse kinderen zijn op school vooral bezig met het leren van Nederlands. Daarnaast krijgen ze vaak een paar uurtjes les 'in eigen taal'. Voor Turkse kinderen is dat het Turks, voor Marokkaanse kinderen het Arabisch.

Nu is het zo dat zeventig procent van de Marokkaanse kinderen geen Arabisch spreekt, maar Berbers. Met deze taal wordt op school meestal weinig gedaan. Daar gaat verandering in komen. Het wetsvoorstel 'Onderwijs in Allochtone Levende Talen' (OALT) dat de huidige wet 'Onderwijs in Eigen Taal' (OET) gaat vervangen, voorziet in Berberlessen aan Berberkleuters.

Het Schooladviescentrum in Utrecht heeft bij wijze van voorproefje al speciaal lesmateriaal voor Berberkleuters samengesteld, waarmee nu op een paar Utrechtse scholen geëxperimenteerd wordt. Farid Bourjila, die het lesmateriaal vervaardigde: “De cognitieve vaardigheden worden via de moedertaal ontwikkeld. Daarnaast is het een ondersteuning van de Nederlandse les. Alle thema's die in het Nederlands aan bod komen, worden eerst in het Berbers behandeld. De begrippen worden eerst in de eigen taal geactiveerd. Daarna hoeft het kind alleen nog maar de bijbehorende Nederlandse woorden te leren.”

Aan het maken van Berbers lesmateriaal zitten veel haken en ogen. Het Berbers kent nauwelijks een geschreven traditie en er bestaat geen Algemeen Beschaafd Berbers. Er zijn een heleboel dialecten die onderling sterk verschillen. Voor het lesmateriaal ging Bourjila uit van het dialect van Noord-Marokko, want daar komen bijna alle Nederlandse Berbers vandaan. Maar ook binnen dit gebied zijn de verschillen groot. “Je hebt daar een westers en een oosters dialect. Het lesmateriaal gaat uit van het westerse dialect, omdat dit in Nederland het meest gesproken wordt. Maar in de handleiding komt een woordenlijst met de oosterse varianten. Als een leerkracht kinderen heeft die het oosterse dialect spreken, kan hij de woorden aanpassen.” Bourjila hoopt dat het lesmateriaal de komende jaren op grote schaal wordt ingevoerd. Dat kan alleen als er iets gedaan wordt aan de taalvaardigheid van de Marokkaanse leerkrachten. Want die spreken meestal Arabisch, en geen Berbers.

Het 'Onderwijs in Eigen Taal' (OET) ontstond in de jaren zeventig. De beleidsmakers gingen er toen nog van uit dat de Marokkaanse kinderen naar Marokko zouden teruggaan. Dus was het van belang dat ze al een beetje vertrouwd raakten met de officiële taal van Marokko: het Arabisch.

De benodigde leerkrachten werden uit Marokko naar Nederland gehaald. Daarmee werd de Babylonische spraakverwarring van het Marokkaanse onderwijs overgeplant naar de OET-uurtjes op de Nederlandse scholen. Berbers-sprekende kinderen kregen les van Arabisch-sprekende leerkrachten, een absurde situatie. Hoewel de inzichten over het OET sindsdien erg veranderd zijn, werkt deze constructiefout nog door tot de dag van vandaag.

Tegenwoordig wordt het OET gezien als een cultureel extraatje, dat goed is voor de identiteit en de eigenwaarde van het kind. Toen de basisschool werd ingevoerd, deed het OET zijn intrede in het kleuteronderwijs, en er werd een tweede doelstelling aan verbonden: de moedertaal van de kleuter moest zoveel mogelijk gestimuleerd worden. Dat zou een gunstig effect hebben op de verwerving van het Nederlands. Een mooi idee, dat bij de Berberkinderen niet in praktijk kon worden gebracht: de leerkrachten spraken Arabisch.

De nieuwe regeling OALT, die na dit schooljaar wordt ingevoerd, haalt die twee verschillende doelstellingen eindelijk uit elkaar. In de onderbouw van de basisschool zal voortaan de moedertaal centraal staan, in dit geval het Berbers. In de bovenbouw blijft een kennismaking met de officiële landstaal mogelijk: het Arabisch.

De Marokkaanse leerkrachten moeten nu roeien met de riemen die ze hebben. Neem Omar Elouakili. Hij geeft les op een zwarte school in Utrecht, waar de Marokkaanse leerlingen in de meerderheid zijn. “Ik heb niet eens een eigen lokaal”, zegt hij. “Voor het Onderwijs in Eigen Taal neem ik nu gewoon de klas over van de Nederlandse leerkracht. De Turkse leerlingen, die in de minderheid zijn, vertrekken dan met de Turkse leerkracht naar de aula of naar de keuken.”

In de communicatie met de Berberkleuters bedient Elouakili zich van een mengsel van Arabisch en Nederlands. Daarnaast gebruikt hij ook Berberwoorden. “Ik spreek zelf Arabisch. Maar mijn moeder en mijn vrouw zijn Berbers, dus ik versta het wel. Ik heb alleen een beetje een probleem met praten.” Hij probeert het Berberwoord voor 'eieren' uit te spreken en schiet in de lach. “Vooral de uitspraak is erg moeilijk”, zegt hij.

In Elouakili's lessen staat - zo schrijft de regeling het ook voor - het Arabisch centraal. Er worden liedjes gezongen in het Arabisch en de Berberkinderen zingen mee, zo goed en zo kwaad als het gaat.

“Natuurlijk vind ik het goed als er meer aandacht besteed wordt aan het Berbers”, zegt Elouakili. Maar voor zichzelf ziet hij daar geen rol in weggelegd. “Het lijkt mij dat ze daar apart personeel voor moeten aannemen.” Hij is bang dat de aandacht voor het Berbers ten koste gaat van de Arabische lessen. “Als je pas in groep vijf met Arabisch begint, wat kun je dan nog bereiken? Vier jaartjes, tweeëneenhalf uur per week, dat is het einde van het Arabisch op school”, verzucht hij.

Maar als het aan de gemeente Utrecht ligt, moet Elouakili zich bijscholen in het Berbers. Utrecht heeft de afgelopen jaren redelijk wat Berbers-sprekende leerkrachten aangetrokken, maar nog steeds spreekt het merendeel Arabisch. “We kunnen die nieuwe mensen natuurlijk in de onderbouw inzetten”, zegt Mostafa El Filali van de gemeente Utrecht, “Maar het zijn er te weinig. Dus zeggen we: de leerkrachten hoeven het Berbers niet per se als moedertaal te spreken. Het gaat meer om de bereidheid, de openheid, het respect voor het Berbers.”

El Filali denkt dat bijscholing in het Berbers heel goed mogelijk is. “Het Berbers heeft nooit de kans gehad zich te ontwikkelen en daardoor is het heel arm geworden. Er zitten veel Franse, Spaanse en Arabische woorden in. Dus een Arabisch sprekende leerkracht kan altijd met het kind communiceren. Maar goed, als zo'n kind nog wel puur Berbers spreekt, moet de leerkracht het natuurlijk ook kunnen verstaan. Vandaar die bijscholing.”

Jan-Jaap de Ruiter, Arabist en specialist op het gebied van tweetaligheid, denkt daar anders over. “Het Marokkaans-Arabisch en het Berbers staan net zover van elkaar als het Nederlands en het Grieks. Het is waar dat het Berbers veel Arabische leenwoorden heeft, maar verder is het een heel andere taal. Bovendien zijn er allerlei dialecten, die erg van elkaar verschillen. Die bijscholing voor OET-leerkrachten is misschien goed bedoeld. Maar waarom zou je moeilijk doen, als de sprekers van het Berbers in Nederland voor het oprapen liggen?”

De Ruiter en zijn collega's van de Katholieke Universiteit Brabant hebben de taalsituatie van de Marokkaanse kleuters onderzocht. “Als het kind vier is, is het nog druk bezig met de verwerving van het Berbers. Het idee is dat je dat het beste nog even kunt stimuleren. Als het kind eenmaal een goede basis heeft in de eerste taal, zal het de tweede taal, het Nederlands, gemakkelijker verwerven.”

Uit het onderzoek bleek dat de taalontwikkeling van de Berberkinderen achterbleef bij die van hun Arabisch sprekende leeftijdgenootjes. Daar heeft De Ruiter wel een verklaring voor. “Je ziet dat het aanbod van het Berbers, op zijn zachtst gezegd, niet optimaal is. Het wordt nauwelijks gebruikt op de televisie of op de radio. Binnen de Marokkaanse gemeenschap is het Arabisch de lingua franca. En dan heb je nog de enorme druk van het Nederlands. Het Berbers wordt alleen gebruikt voor de interne communicatie. Dus er is een beperkt aanbod. Daar kan de school weinig aan doen.” Toch is De Ruiter een voorstander van Berbers in het kleuteronderwijs. “Tweeëneenhalf uur per week is beter dan niets, denk ik.”

Vreemd genoeg zijn het vaak de ouders zelf die zich verzetten tegen Berber-uurtjes voor hun kleuters. “De ouders willen dat de kinderen Arabisch leren”, zegt leerkracht Elouakili met enige nadruk. “Ze komen naar mij en vragen: Wat heeft mijn kind geleerd? Dan moet je uitleggen dat het Onderwijs in Eigen Taal gericht is op ondersteuning van het Nederlands. Dat is voor die ouders moeilijk te begrijpen.”

“De ouders weten vaak heel weinig over het onderwijs”, constateert ook Farid Bourjila, van het Schooladviescentrum. “Ze zeggen: Laat het Berbers maar aan mij over, dat leren ze thuis wel, op school moeten mijn kinderen Arabisch leren, want het Arabisch is de sleutel tot de islam. Maar soms, als je heel duidelijk uitlegt dat het gaat om de cognitieve ontwikkeling van hun kind, zeggen de ouders: Ja, je hebt gelijk.”