Schijn des kwaads

Een van de dingen die ik opmerkte toen ik net had leren lezen, was dat brieven aan mijn vader steeds gericht waren aan 'de weledelgestrenge heer'. Ondoorgrondelijk en zelfs nogal angstaanjagend vond ik dat. Want hoe kon iedereen weten dat mijn vader streng was? En hoe gênant dat hem dit iedere dag door allerlei vreemde mensen werd nagedragen. Alleen al om dat risico voor mezelf te vermijden, besloot ik nooit van mijn leven streng te worden, laat staan weledelgestreng.

Wat een schrik daarom, toen ik deze week in HP/De Tijd las dat ik streng zou hebben geoordeeld over Arjan Peters, literair recensent van de Volkskrant.

Peters heeft zich met zijn unverfroren kritieken weinig geliefd gemaakt onder literatoren en in zekere zin vind ik dat vóór hem pleiten. Recensies zijn bedoeld om zonder aanzien des auteurs een integer persoonlijk oordeel te vellen en niet om in het gevlei te komen bij schrijvers of uitgevers.

Afkraken mag, moet soms, mits beargumenteerd. Maar wie kaatst, kan de bal verwachten en Joost Zwagerman, wiens nieuwste roman Chaos en rumoer door Peters is neergesabeld, sloeg keihard terug. In Vrij Nederland onthulde hij dat de recensent van de Volkskrant in een ander medium, Six Books genaamd, zijn boek de hemel in had geprezen. Schreef Peters in de Volkskrant dat Chaos en Rumoer 'gebrek aan vaart' had, in Six Books bejubelde hij juist 'de snelle stijl'.

Pijnlijk was vooral dat er in VN meer voorbeelden stonden die erop wezen dat Peters een dubbele standaard hanteerde. Ook tal van andere boeken die hij in de Volkskrant negatief had gerecenseerd (onder andere van Hugo Claus, Leon de Winter en Renate Dorrestein) kregen in Six Books en in het periodiek Nieuwsbrief een tegenovergestelde, positieve beoordeling. Hier was met recht sprake van een zoete wraak door Zwagerman, want Peters positie als criticus raakte door het VN-artikel in één klap omstreden.

Aan de andere kant was het ook een rotstreek van Zwagerman. Six Books is een soort reclamefolder voor buitenlandse uitgevers en geen serieus platform van literaire kritiek. Schrijvers - zo heb ik mij laten vertellen - krijgen dat blaadje regelmatig toegestuurd, dus Zwagerman was allang op de hoogte van Peters' bijbaan. Hij had de Volkskrant-recensent er veel eerder op kunnen wijzen dat spreken met twee monden een criticus niet past. Wraak op een criticus wegens een slechte recensie, past namelijk op zijn beurt een schrijver niet. Wie zijn werk laat uitgeven, stelt zich daarmee bloot aan kritiek en hoort daar ook tegen bestand te zijn.

Kort voordat bekend werd dat Peters er, in de woorden van Vrij Nederland, een 'dubbele agenda' op na had gehouden, werd ik door het bestuur van de Libris Literatuurprijs gevraagd zitting te nemen in de jury van 1999, samen met onder anderen Arjan Peters. Dus binnen de kortste keren werd ik bestookt met gewetensvragen. Vond ik het in de haak dat recensenten reclameteksten schrijven? Was ik niet van mening dat de Volkskrant Arjan Peters als criticus moest ontslaan en diende hij ook niet uit de jury van de Libris-prijs te worden gezet?

Mijn antwoord op de eerste vraag luidt: critici moeten, net als procureurs-generaal, de schijn des kwaads vermijden. Zij mogen op geen enkele manier de indruk wekken dat zij oordelen met andere dan literaire maatstaven. Nu geloof ik niet dat Arjan Peters te koop is, maar hij heeft wel twijfel doen rijzen over zijn onafhankelijkheid. Ook recensenten die boeken van vrienden bejubelen of die van vijanden afkraken wekken de schijn van onbetrouwbaarheid. Het minst kwetsbaar is dan ook de criticus die schrijvers en uitgevers mijdt als de pest, hoe moeilijk dat in een klein land als Nederland en in een dorp als Amsterdam ook is. Bij voorkeur zal hij schrijvers niet opzoeken in cafés of andere gelegenheden die niets met zijn werk te maken hebben. Hetzelfde geldt trouwens voor parlementaire journalisten in hun relatie tot politici of voor sportjournalisten in hun omgang met sport-officials als Huibregtsen.

Op de vraag of Peters weg moest als recensent van de Volkskrant had ik natuurlijk geen antwoord. Het ligt niet op de weg van collega-critici om zoiets te beoordelen, maar inmiddels heeft de hoofdredacteur van de Volkskrant zich daar over uitgesproken: Peters mag voorlopig geen recensies meer schrijven. Evenmin ligt het op de weg van juryleden om zich uit te laten over de competentie van een medelid, dat is aan degenen die een jury samenstellen. Maar als ik in de positie van Peters verkeerde, zou ik me hebben teruggetrokken.

Is dat streng? Misschien wel, maar ik spreek voor mezelf. Volgens mij moeten ook juryleden de schijn van belangenverstrengeling vermijden. Niet dat er in een literaire jury zulke grote belangen in het geding zijn als in het college van procureurs-generaal of bij de rechterlijke macht, maar het gaat er wel degelijk over belangen. Voor een schrijver kan een literaire prijs, of een nominatie daarvoor, invloed hebben op de verkoop van zijn boeken en op de verdere ontwikkeling van zijn oeuvre. Hetzelfde geldt voor het effect van de literaire kritiek. Dubbele agenda's, vriendjespolitiek en wraakoefeningen jegens vijanden mogen bij de beoordeling van boeken nooit aan de orde zijn.

Als Peters, die inmiddels niet meer voor reclameblaadjes schrijft, van mening is dat hij - zoals hij in HP/De Tijd zegt - “helemaal niet ongeloofwaardig geworden (is)”, mag hij in alle jury's van de wereld zitting nemen.