Ravensbrück (1)

Als Elsbeth Etty zich voor haar column over Ravensbrück (Z 14 febr.) in de geschiedenis van het kamp had verdiept of er zelfs maar één telefoontje met mij aan had besteed, had zij geweten dat haar aantijgingen aan mijn adres van elke grond gespeend zijn. Haar beschuldiging dat ik vrouwen dwing 'op te biechten' dat zij verkracht zijn, is absurd.

Etty 'bewijst' de onbetrouwbaarheid van mijn onderzoek door het voor te stellen alsof ze mij op een aantal flagrante onjuistheden heeft betrapt. Ik beperk me tot opheldering over een paar punten.

1. Mevrouw Sonja Prins, een ex-gevangene van het kamp Ravensbrück, zou volgens Etty nooit te maken hebben gehad met het Rode Leger. Aperte onzin. In diverse autobiografische publikaties, zoals in 'De Waarheid' of in haar roman 'De Groene Jas' (uitg. Pegasus, 1949), beschrijft Sonja Prins de ontmoeting van vrouwen uit een buitencommando van het kamp (Comthurey) met Russische soldaten. Dat was nu net de ontmoeting waarover het gerucht over seksueel geweld ging dat in 1983 in de CPN zo'n rel veroorzaakte. Mevrouw Prins, hoewel niet ín het kamp, is dus wel degelijk een van de weinige Nederlandse ex-Ravensbrückgevangenen die ooggetuigen waren van het Rode Leger.

2. Etty suggereert dat ik vrouwen hun 'individualiteit' ontneem door te verzwijgen dat zij toen ik hen interviewde, veelal geen 'overtuigd communiste' meer waren. Eveneens aperte onzin. Ik vertel hoe Sonja Prins mij in 1988 verklaarde dat haar teleurstelling over Russisch wangedrag jegens ex-gevangenen, er in 1945 de basis voor legde dat zij in 1956 de rede van Chroetsjow serieus nam (en haar geloof en partij verloor). Ook van andere Ravensbrück-overlevenden vertel ik hoe en waarom zij de CPN verlieten of daaruit werden gegooid.

3. Etty geeft een impertinente voorstelling van de wijze waarop ik de term 'vervalsing van de eigen perceptie' hanteer. Als 'vervalsing van de eigen perceptie' typeert Jorge Semprun het feit dat hij in Buchenwald de implicaties van misdaden door Russische medegevangenen voor zijn communistische levensovertuiging niet tot zich liet doordringen. Ook Sonja Prins verbond aan Russisch wangedrag verzachtende interpretaties, treffend genoeg haast dezelfde als Semprun. Op die parallel wijs ik. Dat heeft met al of niet verkracht zijn, niets te maken.

4. Sonja Prins zei mij dat haarzelf in 1945 niets was overkomen. Anders dan Etty suggereert, heb ik geen enkele reden dat niet te geloven. Nergens in mijn publikaties trek ik de verklaring van Sonja Prins in twijfel, noch heb ik ergens gesuggereerd dat zij of andere - Nederlandse - vrouwen bij die ontmoeting door Russische soldaten zijn verkracht. En ik concludeer al helemaal niet dat zij, uit communistische gezindheid, dat dan wel zullen hebben 'verdrongen'.

Wel geef ik in mijn boeken een interpretatie voor het feit dat de betrokkenen onderling tegenstrijdige verhalen vertellen over hun ontmoeting met het Rode Leger. Ook ben ik er, op grond van de getuigenis van mevrouw Prins en andere bronnen, van overtuigd geraakt dat er door Russische soldaten seksueel geweld is gepleegd, ook tegen ex-gevangenen.

Ten slotte: aangezien Etty niet vermeldt waar ik mijn morele en wetenschappelijke wandaden heb begaan, vertel ik dat zelf maar. Zie over de CPN, het Rode Leger en Ravensbrück mijn proefschrift: 'Opoffering en heroïek. De mentale wereld van een communistische vrouwenorganisatie in naoorlogs Nederland, 1946-1976' (1990). Tevens: 'De jurk van de kosmonaute. Over politiek, cultuur en psyche' (1995), pp. 32-59.

Naschrift Elsbeth Etty:

Ik heb Jolande Withuis geen 'morele en wetenschappelijke wandaden' verweten. Wel heb ik, onder andere aan de hand van citaten van de Duitse onderzoekster Marianne Kröger en de Nederlandse oud-Ravensbrückgevangene Sonja Prins, getoond dat haar veronderstellingen en conclusies niet onomstreden zijn. Van Sonja Prins is de uitspraak dat Withuis 'een jarenlange oorlog tegen de vrouwen van Ravensbrück' heeft gevoerd. Ten onrechte schrijft Withuis dat ik haar beticht van 'flagrante onjuistheden' en dat ik suggereer dat zij de ex-gevangenen van het kamp Ravensbrück hun individualiteit ontneemt. Deze kritiek op Withuis' onderzoek is geformuleerd door Kröger en stond dan ook tussen aanhalingstekens. Het antwoord van Withuis is een klassiek voorbeeld van boosheid op de boodschapper van het slechte nieuws.