Ozonfluctuatie bij zonsverduistering is nog niet verklaard

Op 26 februari vindt een zonsverduistering plaats, die zichtbaar zal zijn in het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan, een deel van de Verenigde Staten en Zuid-Amerika en het westelijk deel van de Grote Oceaan. In Europa is er niets van te zien, omdat de zon dan al onder de horizon staat: reden voor sommigen om af te reizen naar een van de eilanden in de Caribische Zee (zoals Aruba of Curaçao), waar de zon in een 150 kilometer brede totaliteitszone maximaal vier minuten totaal wordt verduisterd.

Voor de wetenschap heeft zo'n (totale) eclips momenteel niet veel waarde, omdat er nog maar weinig gebeurt dat niet goed wordt begrepen. Op één uitzondering na: het effect op het ozongehalte van de atmosfeer.

Verscheidene onderzoekers hebben in het verleden bericht over fluctuaties in de ozonconcentratie (officieel kolomdichtheid geheten) tijdens een gedeeltelijke, ringvormige of totale zonsverduistering. Afnamen van enkele procenten tot meer dan tien procent boven de plaats van waarneming werden gemeld, maar het patroon van het verschijnsel was steeds weer anders en soms werd er ook géén verandering geconstateerd. Het ozongehalte wordt gewoonlijk gemeten met een Dobson-spectrofotometer: een instrument dat op verscheidene golflengten de intensiteit van de zonnestraling meet, die wordt doorgelaten door de ozonlaag op hoogten tussen 15 en 20 kilometer.

De meest recente melding van zo'n ozonfluctuatie komt van drie onderzoekers van het Fysisch Onderzoekslaboratorium in Ahmedabad, in India. Op dit instituut wordt al sinds jaar en dag het ozongehalte in de atmosfeer gemeten en door een gelukkig toeval vond daar op 24 oktober 1995 een eclips plaats waarbij de zon voor 90 procent werd verduisterd. Uit de analyses van de ozonmetingen, onlangs gepubliceerd in Geophysical Research Letters 24, no. 23, blijkt dat de ozonconcentratie al een kwartier voor het maximum sterk daalde en ongeveer een kwartier na het maximum zijn oorspronkelijke niveau weer had bereikt. De fluctuatie was veel groter dan die welke af en toe onder 'normale' omstandigheden optreden.

De mogelijke oorzaak van de fluctuatie blijft echter duister. Een verandering in het tempo van de bekende fotochemische en dynamische processen in de stratosfeer is, gezien de korte duur van de fluctuatie, zeer onwaarschijnlijk. Ook de theorie dat de met grote snelheid door de stratosfeer bewegende maanschaduw - en daarmee samenhangende afkoeling - een soort boeggolf doet ontstaan, lijkt hier niet van toepassing. De ozonafname begon immers al vóór het maximum van de eclips. De fluctuatie wordt klaarblijkelijk veroorzaakt door een hydrodynamisch verschijnsel dat we nog niet kennen.