Optimisten en pessimisten

Natuurlijk stond op het krantenknipsel over Zola waar ik vorige keer over schreef een jaartal. 'Zaterdag, 13. feb. 1926' had mijn vader er op aangetekend - precies man als hij was. En natuurlijk had ik dat zo in mijn tekst overgenomen - want ik lijk wel een beetje op hem. Waar het tussen overzenden en drukken is weggevallen weet ik niet. Ik zou er niet op terugkomen als niet aan de achterzijde van dit knipsel toch ook wel iets interessants bleek te staan, waarvoor dat jaartal belangrijk is. Het is een fragment van een artikel dat kennelijk ging over de stemming op de beurs en de beleggingswaarden.

“Een der sterkste tegenstellingen op economisch gebied is tegenwoordig wel de groote industrieele voorspoed in Amerika en de nog steeds tamelijk gedrukte toestand in de meeste Europeese landen. Terwijl men in ons werelddeel hoopvol vooruitblikt naar de naaste toekomst, die een algemeene ontplooiing der productie moet brengen, nadat eenmaal de onderconsumptie zal zijn overwonnen, breekt men zich in Amerika het hoofd met de vraag of er niet binnen afzienbaren tijd een terugslag zal intreden, die met de gebruikelijke crisisverschijnselen gepaard zal gaan.

“Ondanks den spreekwoordelijken rijkdom van Amerika, heeft men daar vóór den oorlog zooveel malen geleden onder de ernstige gevolgen van het verstoorde evenwicht tusschen productie en verbruik en credietschaarschte, dat men er meer dan ooit op bedacht is zijn maatregelen te nemen bij een eventueel omslaan van de conjunctuur. In sommige kringen heeft men zich al vertrouwd gemaakt met het idée, dat de zon wel niet eeuwig zal blijven schijnen en spreekt men reeds openlijk over de komende crisis.

Er is echter ook een groep van ultra-optimisten, die meenen dat de tijd van ernstige schokken op economisch gebied, behoudens door oorlog of revolutie, voorbij is en dat wij een tijd van grootere stabiliteit in het bedrijfsleven tegemoet gaan, niet slechts voor een aantal jaren, maar voor onbepaalden tijd. Een dergelijke meening vinden wij weergegeven in de maanduitgave der National Bank of Commerce. Daarin wordt opgemerkt dat voor zoover de geldkoersen daarbij een rol spelen, er geen reden is te veronderstellen, dat de vroegere belangrijke schommelingen in de conjunctuur zich zullen herhalen, daar de vorming van het Federale Reserve Systeem de structuur van het geld- en credietwezen belangrijk heeft gewijzigd en verbeterd.

“Deze zienswijze lijkt ons in zooverre juist, dat er door de grootere soepelheid van het Amerikaanse banksysteem in vergelijking met vóór den oorlog alsmede door de ophooping van goud in de Unie vooralsnog wel geen storing op de geldmarkt zal zijn te verwachten, die een economische crisis in het leven zou kunnen roepen. Maar de andere groote factor, die van een mogelijke overproductie, blijft toch nog van kracht, al dient te worden toegegeven, dat door de vorming van trusts en kartels het gevaar daarvan aanmerklijk is verminderd. Ook de mogelijkheid dat door mislukking van den oogst de koopkracht der landbouwende bevolking sterk kan inkrimpen, blijft natuurlijk bestaan.

Het lijkt het meest waarschijnlijk dat noch zij, die weldra een economische crisis verwachten, noch optimisten, die meenen dat de wereld van dergelijke onaangename gebeurlijkheden voortaan verschoond zullen blijven, gelijk zullen krijgen.''

Wat volgens deze economisch analist dan wel stond te gebeuren is afgeknipt. Feit is dat zich drie jaar later de beurskrach in New York voltrok met wereldwijde gevolgen. De pessimisten kregen gelijk, zonder dat je waarschijnlijk kunt zeggen dat die beter inzagen wat er aan de hand was. De indruk die uit zo'n tekst ontstaat is dat eigenlijk niemand dat begreep en dat het meer een kwestie van persoonlijkheid was tot welke zienswijze men zich voelde aangetrokken.

Ik vraag me af of er wat dat betreft veel is veranderd. Als ik als leek berichten lees over oplopende koersen op Wall Street en het Damrak, en over wat nu wordt samengevat onder de noemer 'De crisis in Azië', dan heb ik het gevoel dat ondanks alle analyses en beredeneringen niemand weet waar het heen gaat. Misschien is alles wereldwijd iets beter in de hand te houden door de internationale monetaire samenwerking, maar de mensen in Azië die werk en spaarcenten kwijt zijn, hebben daar op dit moment weinig aan.

Misschien wordt mijn indruk bij het lezen van dergelijke berichten gekleurd door het feit dat mijn vader de klap van '29 eigenlijk nooit te boven is gekomen.

Ik heb dat allemaal niet zelf meegemaakt, er was voorlopig geen geld meer voor nog een kind - voor de gezondheid van mijn moeder ook nog wel zo goed. Ik ben veel later geboren, maar ook toen hingen de crisisjaren nog altijd wat na te somberen boven het gezin. Toen mijn vader in 1926 in de krant zat te knippen, wist hij niet wat hem nog te wachten stond. Al werd het natuurlijk nooit wat Zola heeft beschreven in Germinal.