Ontroostbare moeder

DE TITANIC ZINKT opnieuw, niet eenmaal in het ijskoude water van de Atlantische Oceaan, maar duizenden keren per dag op het witte doek, en zal het ongetwijfeld zo nog maanden blijven doen. Op dit moment heeft in de Verenigde Staten al meer dan zeven procent van de vrouwelijke teenagers de film over de ondergang van de Titanic twee keer gezien. De industrie verwacht dat uiteindelijk een nog veel hoger percentage veel vaker terug zal keren. Iedereen is dus gelukkig: de meisjes die iedere keer weer opnieuw met roodomrande ogen uit de bioscoop komen en de makers die hun miljoenen dollars incasseren.

De film is niet het enige mooie resultaat van de ramp. Eén van de slachtoffers was een zekere Harry Elkins Widener, de zevenentwintigjarige zoon van een schatrijke familie uit Philadelphia. Hij had nooit leren zwemmen en weigerde in het water te springen ondanks de aansporingen van een vriend die dat wel kon en de ramp overleefde. ''I think I'll stick to the big ship, Billy, and take a chance'', zou hij hebben gezegd. Zijn ontroostbare moeder schonk Harvard University twee miljoen dollar (de film kostte tweehonderd miljoen) voor het bouwen van een bibliotheek te zijner nagedachtenis. Het kolossale vierkante gebouw, de Widener Library, geopend in 1927, staat er nog steeds, precies zoals het destijds werd gebouwd want niets, zo bepaalde de schenkingsakte, mocht aan dit mausoleum veranderd worden. Vandaar dat men dus maar nieuwe bibliotheken naast de oude heeft gebouwd, die door onderaardse gangen en luchtbruggen door ramen met Widener Library zijn verbonden.

Een van de grote genoegens van Amerikaanse universiteiten is dat men daar in het algemeen de slogan dat bibliotheken de laboratoria van de geesteswetenschappen zijn in zoverre serieus neemt dat de magazijnen waar mogelijk vrij toegankelijk zijn voor gevorderde studenten en staf. Een van de eerste dingen die ik dan ook ben gaan doen zodra ik mijn Harvard ID had, was om iets op te gaan zoeken in Widener. Dat was niet omdat de Vakgroep waar ik dit semester aan verbonden ben niet zelf zou beschikken over een prachtige bibliotheek, want de Department of East Asian Languages and Civilizations is ondergebracht in hetzelfde pand als het Harvard-Yenching Institute en dat huisvest een van de rijkste sinologische collecties in Amerika.

Het ging ook helemaal niet om een belangrijk boek, het betrof een lezing die ik omwille van de volledigheid van een bibliografie wilde inzien, maar vrijwel net zo onbeduidend bleek als ik altijd al had vermoed (dat had ik dan nu kunnen vaststellen). Het ging me uitsluitend en alleen om het genoegen van het dwalen tussen de eindeloze schappen met boeken. “Texas is as close to Heaven as I'll get”, zong de Country-zangeres Tanya Tucker lang geleden. Voor iemand zoals ik voor wie de hemel eerder bestaat uit een gevulde boekenkast, komt Widener ook heel aardig in de richting.

Dwalen door Widener wordt ook heel gauw verdwalen omdat iedere beschikbare ruimte gevuld is met bedrukt papier en het niet altijd duidelijk is waarheen de pijl met Exit verwijst. Gelukkig lopen overal studenten rond die een baantje hebben bij de bibliotheek om boeken op te zoeken of terug te zetten. Al doende leren ze het gebouw in alle hoeken en gaten kennen en ze zijn gaarne bereid om dolende zielen de richting van de uitgang te wijzen. De ruime inschakeling van studenten binnen de bibliotheken heeft vele voordelen. Niet alleen wordt zo vermeden dat verdwaalde en verdwenen eerste bezoekers pas na jaren gemummificeerd worden teruggevonden in een vergeten uithoek van de wetenschap, ook verdienen studenten op een academisch relevante manier wat bij. Wie weet hoe de bibliotheek er van binnen uitziet, kan er nu eenmaal veel meer uithalen. Natuurlijk, de totale digitalisering van informatie zal eens het contact met een papieren boek overbodig maken. Maar voorlopig is het in de geesteswetenschappen nog lang niet zover. Mijn eigen eerste baantje bij de universiteit was nu al weer meer dan dertig jaar geleden dat van studentassistent bij het Sinologisch Instituut. Daar werkte ik als duvelstoejager in de bibliotheek en in de praktijk van de dagelijkse omgang met boeken stak ik minstens zoveel op als in de collegebanken.

Wanneer we ons in Nederland dan toch zo graag spiegelen aan het grote buitenland, is deze ruime inschakeling van studenten in de bibliotheken, zeker waar het de geesteswetenschappen betreft, misschien best navolgenswaard. In plaats van de studenten leningen aan te bieden die velen van hen begrijpelijkerwijze niet willen, zouden tientallen en misschien wel honderden op zinvolle wijze hun beurs kunnen aanvullen door werk dat hun studie aanvult, het reguliere bibliotheekpersoneel krijgt meer ruimte voor dienstverlening, en de magazijnen kunnen open voor de onderzoekers. Natuurlijk moeten dan wel alle tassen bij het verlaten van het gebouw systematisch worden gecontroleerd, maar dat gebeurt dan ook in Widener en vergelijkbare instellingen - nog meer extra werkgelegenheid!

De toegankelijkheid van de boekenrijkdom in Harvard compenseert de nodige minder aangename aspecten van Cambridge Mas. in januari en februari. Misschien wel omdat El Niño de westkust teistert is de winter aan de oostkust relatief zacht, maar binnen de eerste week na aankomst had ik al bijna alle variëteiten van sneeuw weer meegemaakt: dikke sneeuw, bevroren sneeuw, natte sneeuw, smeltende sneeuw. Nu is de sneeuw vrijwel volledig verdwenen en straalt de zon aan een strakblauwe hemel dankzij een Canadees hogedrukgebied met de daarbij behorende lage temperaturen. Iedereen loopt dus op vormeloze schoenen en dik ingepakt op straat. “Bundle up”, waarschuwt ons de weerman vrijwel dagelijks. Dat is een heel verschil met de andere plaatsen waar ik als visiting professor heb mogen doceren. Berkeley heeft, zolang El Niño zich gedeisd houdt, voor een Nederlander misschien wel het mooiste weer van de wereld, en in Honolulu is het natuurlijk altijd zomer (maar daar was de centrale air-conditioning weer zo koud afgesteld dat de collega's elektrische kacheltjes meenamen naar hun werk om warm te blijven en ik zelf truien over elkaar droeg). Maar zodra de onderzoeker weer met een boekje in een hoekje van de bibliotheek is weggedoken is al dat winterleed weer vergeten.

Wie na zijn wandelingen door de paradijzen van Widener en annexen, de onbedwingbare begeerte gevoelt om zijn eigen bibliotheek uit te breiden, kan terecht bij de verschillende academische boekhandels op en rond Harvard Square. Weliswaar bleek tot mijn grote verdriet de enige in Asiatica gespecialiseerde boekhandel die elf jaar geleden toen ik hier ook een semester doorbracht bestond, inmiddels verdwenen te zijn, maar alle andere zaken waren er nog, met inbegrip van de Revolutioinaire boekhandel. De Harvard Coop had inmiddels een volledig nieuwe pand betrokken met haar boekhandel en bleek uitgebreid met een coffeeshop. Maar de andere zaken bezetten nog dezelfde locaties en proberen elk met hun eigen speciale aanbiedingen de willige geest van de bezoeker te verleiden. Natuurlijk, een mens kan tegenwoordig ook vrijwel alles bestellen via Amazon.com, maar soms wil je toch een boek eerst wel eens inzien voor je het mee naar huis neemt. Inmiddels groeit de stapel boeken die ik straks weer zal moeten verzenden dan ook gestaag.

Maar Harvard is niet alleen maar prachtige gebouwen vol oud papier. Hier volgt een minieme selectie uit het kleine nieuws van de laatste weken. Na een korte en felle campagne hebben studenten bewerkstelligd dat voortaan de toiletten in de studentenfaciliteiten voorzien zullen worden van dubbel toiletpapier. Vier oud-studenten van Harvard hebben een roman geschreven waarin het studentenleven wordt afgeschilderd als een aaneenschakeling van seks, drank, drugs en wat dies meer zij. De campuspolitie heeft nagelaten enkele recente verkrachtingszaken op Internet te zetten. Geen wonder dan ook dat de Boston Globe een cartoon kan publiceren van twee jongere vrouwen, waarvan de een tegen de ander zegt: ''He's actually quite bright for someone who went to Harvard.''

Ook een nieuwe ramp van de Titanic zullen niet alle studenten van Harvard overleven. Omdat mevrouw Widener de dood van haar zoon weet aan het feit dat hij tijdens zijn studie aan Harvard niet had leren zwemmen, had ze van de universiteit gevorderd dat studenten pas mochten afstuderen nadat ze bewezen hadden dat ze vier baantjes konden zwemmen. Jarenlang moesten studenten daarom voor ze hun diploma konden afhalen eerst een zwemtoets afleggen. Officieel geldt de eis nog steeds, maar nu na onderzoek is gebleken dat de bepaling geen onderdeel uitmaakt van de schenkingsakte, neemt de universiteit het niet meer zo nauw met het schoolzwemmen.