Nagano

Het sneeuwt niet meer. De koude Spelen lopen duidelijk ten einde. Stil is het nog niet helemaal. Nooit is het helemaal stil geweest. Maar het ergste lawaai is verstomd. Het lawaai van schreeuwende mensen, juichende mensen, zingende mensen, van trommels, toeters en bellen. In het land van de glimlach keert langzaam de rust terug. In de verte klinken nog wel gitaren, maar het zijn gitaren die duidelijk niet Japans zijn. Het moet ergens beneden onder aan de flat zijn, in de eet-, drink- en ontspanningsruimte van het mediadorp waar journalisten zingen over vroegere tijden, over naar huis gaan en over de liefde.

Een sluitingstijd is er niet. Zo gaat dat wanneer journalisten uit de hele wereld in Japan bij elkaar gekomen zijn om verslag te doen van het feest der grote verbroedering. Ze vinden gezelligheid en troost bij elkaar. Ze wisselen ervaringen uit in alle talen. Een Rus praat met een Amerikaan, een Australiër met een Tsjech. Een Italiaan vraagt een Nederlander de beginselen van het schaatsen uit te leggen. Een Griek vraagt een Noor wat langlaufen is.

Het is een groot feest. Niet alleen in het persdorp, ook daarbuiten. Zoveel lachende mensen zijn zelden bij elkaar geweest. Als lachen het doel is om Olympische Spelen te houden, dan zijn de Winterspelen in Nagano geslaagd. De eeuwige lach van Japanners heeft aanstekelijk gewerkt. Wie ziet en hoort lachen, lacht mee. Morgenochtend word ik hopelijk weer gewekt door de lach van de schoonmaaksters. Zoals ik hoop dat het kamermeisje met de mooiste glimlach van Japan weer aan mijn deur klopt en met haar vrolijke stemmetje zegt: Good morning, wake up mister Guus, sun shines. Voor wie zo gewekt wordt, kan het leven alleen maar een feest zijn.