Journalist in spe: leer het vak in de praktijk

Meestal moet je het helemaal alleen uitzoeken. Hoeveel kranten je ook leest, hoe diep je ook het televisienieuws inzapt, en welke welingelichte kringen je ook beluistert, het helpt allemaal niets. De Nederlandse politiek blijft rondtollen in een carrousel van verdachtmakingen, leugens, vergissingen, suggesties en ontkenningen. En er is geen enkele journalist die op het juiste moment de nodige feiten aanlevert waarmee de zaak tot rust komt zodat de kiezer een helder oordeel kan vormen.

Integendeel. De journalistiek is zelf verantwoordelijk voor het op stoom houden van die draaimolen. Het is de laatste tijd al vaker, en ook in deze krant betoogd: de toegenomen concurrentie tussen de nieuwsmedia, met de televisie als grootste gangmaker, leidt ertoe dat het politieke nieuws steeds meer op de feiten vooruit gaat lopen. Een half woord, een enkel lek, een onbeantwoord telefoontje - voor een journalist is het vaak meer dan voldoende om een diepgaande crisis te signaleren en die breeduit op de voorpagina te melden. Hij moet wel, want als hij het niet doet doet de concurrent het.

Naast deze economische drijfveer, die vooral de snelheid van het nieuws verklaart, bestaat een meer sociologisch getint motief, dat de onbeschaamdheid van de geruchtenmachine begrijpelijk maakt.

Moderne journalisten en voorlichters hebben bijna allemaal een HBO-opleiding of een universitaire cursus in de massacommunicatie gevolgd en dus heel wat theorie bestudeerd. Het kan niet anders of bij het vak sociologie is het Thomas-theorema uitgebreid aan de orde geweest. Deze regel houdt in dat in het sociale verkeer de verwachtingen die men heeft van wat er gaat gebeuren, de loop van die gebeurtenissen bepalen. De werkelijkheid is dus voor een groot deel een sociale constructie, en wie het hardst roept of als eerste met nieuws komt, vergroot zijn kansen diezelfde werkelijkheid naar zijn hand te zetten. In dit spel heeft de professionele boodschapper een grote voorsprong op de amateur.

Een heerlijke theorie voor de communicatiedeskundige in spe. Want nog voordat hij zijn eerste bericht geconcipieerd heeft wordt hij door de wetenschap bevorderd van slaaf van de feiten tot heerser over de werkelijkheid. Daar zit niets engs of onethisch aan. Het is gewoon een wetmatigheid uit het sociologisch leerboek.

Ik vermoed dat met deze leerstof de bodem gelegd wordt voor het post-moderne dédain voor de feiten dat tegenwoordig op zoveel schermen en pagina's te zien is. De arrogantie van de journalistiek is grotendeels een product van de verwachtingen die het eigen theorieonderwijs wekt.

Wie weer ontzag voor de empirie wil kweken bij politieke verslaggevers komt er dus niet met het instellen van een commissie van wijze mannen, zoals Boris Dittrich wil.

Ook strengere eindredacteuren, de oplossing die Schwietert dinsdag in deze krant presenteerde, is het paard achter de wagen spannen. De bijl moet in de opleidingen. Weg met al dat getheoretiseer over agenda-funkties en verdampende werkelijkheden, over betekenisproductie en receptie-analyse. En weg met de rest van dat geleuter over imagobeheer en informatiemanagement waarmee universiteiten en hogescholen aankomende journalisten en voorlichters torenhoge pretenties aanpraten.

Het vak moet, net als vroeger, gewoon weer in de praktijk geleerd worden. Met veel geduld, doorzettingsvermogen en respect voor de waarheid. Zo'n ouderwetse benadering zal ten koste gaan van de snelheid en de sensatie. En in de kwaliteitsmedia zal dit eenvoudige handwerk misschien wat minder intellectuele opsmuk opleveren. Maar het grote voordeel is dat alleen op deze manier de broodnodige feiten in de krant komen waarmee de lezer met een gerust hart zijn eigen werkelijkheid kan construeren.