Indonesië herstelt niet zonder druk van buitenaf

Wat kan de buitenwereld aan de crisis in Indonesië doen? De Verenigde Staten en Japan richten zich vooral op de economische problemen en gaan zo voorbij aan de dieper liggende politieke factoren. De buurlanden doen er officieel het zwijgen toe, uit respect voor het beginsel van niet-inmenging. Volgens Philip Bowring mag de buitenlandse druk op Soeharto wel wat worden opgevoerd.

Als Irak een kruitvat is, dan is Indonesië een diep voortsmeulende veenbrand, waarvan de rook de buurlanden dreigt te verduisteren. De problemen van Indonesië zijn van een andere orde dan de problemen die zich elders in de regio voordoen. We zien hier niet zomaar een stukje van de Aziatische economische crisis. Het gaat niet alleen om hoe diep de beurs zal kelderen of hoeveel geld onbezonnen Westerse bankiers erbij in zullen schieten. De ontwikkelingen van de eerstkomende weken zouden wel eens net zo bepalend kunnen blijken voor die in heel Zuidoost-Azië en daarbuiten als de val van Saigon, de dood van Mao, het uithollen van president Soekarno's machtspositie in 1965 of het etnische oproer van 1969 in Maleisië.

Het bewind van zowel Mao als Soekarno werd gevolgd door ingrijpende beleidswijzigingen die de goedkeuring hadden van de meeste buurlanden en het Westen. In Indonesië begonnen met de komst van de nieuwe orde drie decennia van opmerkelijke vooruitgang voor de bevolking en de regio. Kan het tijdperk-Soeharto aflopen zonder een beleidsomslag die tot spanningen met de naaste buurlanden leidt, de verstandhouding met de Verenigde Staten, Japan en China bederft en twijfels wekt aan Indonesië's streven naar een open economisch stelsel, een seculiere samenleving en een pluralistisch maatschappelijk bestel? Kan het aflopen zonder een traumatische wending van ten minste dezelfde omvang als de gebeurtenissen van 1969 in Maleisië, of zonder beleidsverschuiving van economische groei naar het soort etnische inkomensegalisering waartoe de rellen in Maleisië hebben geleid?

Ondanks alle etnische, religieuze en regionale scheidslijnen is Indonesië nog altijd een spectaculair veelzijdige en in de meeste opzichten zeer tolerante samenleving. Het stellen van deze indringende vragen is niet bedoeld om wanhoop te wekken, maar om de buitenwereld te doordringen van de noodzaak te doen wat ze kan om serieuze veranderingen aan de top te bewerkstelligen, al is het nog zo weinig, omdat er geen betere manier is om een gematigde beleidswijziging te stimuleren.

Een aantal problemen kan zich voordoen wanneer de achteruitgang doorzet. Ten eerste bestaat het risico van een verdere uittocht van Indonesische Chinezen en hun kapitaal, met als gevolg dat deze minderheid nog vijandiger wordt bejegend en dat de latente vijandschap jegens het overwegend Chinese buurland Singapore manifest wordt. Ten tweede kan de situatie leiden tot een extra belasting voor Maleisië, waar zich mogelijk scheepsladingen illegale migranten zullen voegen bij de velen die al in het land zijn, zodat de precaire etnische balans door de Indonesische spanningen wordt verstoord. Ook zal rekening gehouden moeten worden met de mogelijkheid van nieuw nationalisme en isolationisme in Indonesië, waardoor het land zich van zijn de facto nauwe bondgenoten Amerika en Japan zal afkeren, met als gevolg spanningen rond strategisch belangrijke zeeëngten.

China, dat met zijn territoriale aanspraken toch al voor wrijving zorgt, kan in de regio verder etnische spanningen oproepen door op te komen voor de Chinezen in Indonesië. En een failliet Indonesië zou, beroofd van zijn buitenlandse en inheems-Chinese kapitaal, de markteconomie kunnen afschaffen en kunnen terugkeren tot een autarkisch staatskapitalisme. Tot slot zou het beleid gericht op nationale eenheid kunnen worden verlaten ten gunste van een streven naar religieuze identiteit, wat tot sociale spanningen kan leiden, een vreedzaam samenleven kan compliceren en een bedreiging kan vormen voor de territoriale integriteit.

Deze dreigingen zullen zich niet allemaal tegelijk voordoen. Maar een aantal ervan is al genoeg om het ASEAN-verdrag tot een dode letter te maken, de regionale economische ontwikkeling verder te ontwrichten en buiten-regionale mogendheden last te bezorgen. Een paar rellen betekenen nog geen revolutie in zo'n groot land, maar er zijn verontrustende tekenen dat het sterk gecentraliseerde bewind de controle over het land aan het verliezen is, terwijl het zich steeds halsstarriger opstelt.

Voor het eerst heeft president Soeharto in een belangrijke economische kwestie het advies van zijn technocraten genegeerd (en zelfs de directeur van de centrale bank ontslagen) in zijn verlangen naar een wondermiddel tegen 's lands financiële kwalen - een koppeling aan de dollar. Hij kan weliswaar redelijkerwijs stellen dat de IMF-voorschriften hebben gefaald, maar de koppeling bezit in Indonesië's geval de geloofwaardigheid van gebedsgenezing.

De hoop van velen is gevestigd op een eendrachtige en verstandige houding bij de strijdkrachten. Die zijn niet zichtbaar verdeeld. Maar de recente benoeming van Soeharto's sterk op de voorgrond tredende schoonzoon Prabowo Soebianto tot bevelhebber van de speciale troepen zal niet door al zijn collega-officiers zijn toegejuicht. Ook de opkomst van minister van Research B.J. Habibie, die eveneens banden met de familie Soeharto onderhoudt, versterkt het beeld van een slinkende groep loyalisten in een laatste wanhoopsdefensief.

De islamitisch-politieke oppositie tegen het regime groeit met de dag en heeft Megawati Soekarnoputri al overvleugeld. De meest gematigde en liberaal-denkende moslim-leider, Abdurrahman Wahid, van wie velen hadden gehoopt dat hij in een overgangsperiode een sleutelrol zou spelen, is getroffen door een beroerte. Op straatniveau kan, door een combinatie van de instortende roepia, fabriekssluitingen en grote droogte, de economische toestand alleen maar verslechteren.

Kan de buitenwereld iets doen? De Verenigde Staten en Japan concentreren zich op de economische problemen en gaan voorbij aan de dieper liggende politieke factoren. En buurlanden in de ASEAN kijken handenwringend toe, maar doen er officieel het zwijgen toe uit respect voor de beginselen van de niet-inmenging over en weer.

President Soeharto probeert zich aan de letter van de grondwet te houden. Maar het etnisch-Chinese kapitaal, dat met zijn triomfalisme nog maar onlangs strafmaatregelen uitlokte, probeert nu de benen te nemen. De situatie is zo nijpend dat Japan, de ASEAN-landen en de Verenigde Staten samen zouden moeten proberen Soeharto ervan te overtuigen dat politieke ingrepen een eerste voorwaarde voor herstel zijn. Wil hij niet luisteren naar privé-adviezen, dan moeten die openbaar worden gemaakt.

Daarnaast zijn omvangrijke afschrijvingen op buitenlandse schulden van essentieel belang voor het economisch herstel. Bij veel leningen moet sprake zijn geweest van corruptie bij zowel lener als financier. Zij die ervan uitgingen dat handeltjes met de familie Soeharto een makkelijk manier waren om snel aan geld te komen, verdienen het de kous op de kop te krijgen.

Ook zijn er nu geldige redenen voor een opener beleid ter bevordering van het inheemse bedrijfsleven, zoals Maleisië dat na 1969 heeft ingevoerd. Daar was dit beleid niet populair onder Chinezen en buitenlanders, maar het droeg wel bij tot het herstel van de sociale stabiliteit en stimuleerde een kapitalistische mentaliteit onder de Maleisische bevolking. Indonesië is een niet-sektarische staat, de identificatie met de islamitische meerderheid kan worden versterkt zonder de rechten van anderen aan te tasten. Indonesië ziet zich niet alleen geconfronteerd met het eind van het tijdperk-Soeharto, maar ook met een moderniteit die zich opeens van haar keerzijde toont.