Hockney's foto's zijn verbluffend levendig

Tentoonstelling: David Hockney. Retrospektive Photoworks. T/m 15 maart, Museum Ludwig, Bischofsgartenstr. 1, Keulen. Di. 10-20 u., Wo. t/m vr. 10-18 u, za./zo. 11-18 u. Catalogus DM 49,-. De tentoonstelling reist door naar Turijn, Lausanne, Arles, Krems/Niederösterreich en de Verenigde Staten.

Vakantiefoto's kunnen heel teleurstellend zijn. Afgedrukt op een rechthoekig velletje van tien bij vijftien centimeter ziet het fraaie uitzicht over een vallei of de gapende diepte van een kloof er plotseling een stuk minder spectaculair uit. En ook gefotografeerde vrienden en kennissen lijken vaak helemaal niet op de personen die zij in werkelijkheid zijn. Volgens kunstenaar David Hockney (Bradford, Yorkshire 1937) komt dit omdat fotografie eigenlijk helemaal niet geschikt is om de werkelijkheid te registreren. Het belangrijkste probleem in de fotografie is volgens hem de afwezigheid van de factor tijd. Terwijl een schilder uren- en soms zelfs wekenlang aan een schilderij werkt, maakt een fotograaf zijn beeld binnen enkele seconden. Het gebrek aan een gelaagdheid in tijd maakt een foto zo statisch, aldus Hockney.

De Britse kunstenaar, die altijd al foto's maakte als voorstudies voor zijn schilderijen maar zich pas sinds de vroege jaren tachtig serieus met fotografie bezighoudt, bedacht verschillende oplossingen voor dit fotografische probleem. Door een onderwerp niet eenmaal, maar wel honderd keer te fotograferen en de foto's vervolgens samen tot een nieuw beeld te componeren, bracht Hockney het tijdselement terug in de foto. Daarnaast stapte hij af van het idee dat een foto een rechthoekig kader moet hebben, want, zo zegt Hockney, het gezichtsveld heeft toch ook geen scherpe randen? Dus lijken zijn foto's nergens te beginnen en nergens op te houden. Ze kunnen elke gewenste vorm aannemen en op elke gewenste plek worden onderbroken. Ze zijn vierkant, ovaal of waaiervormig.

Veel fotografen die een ruimte in zijn geheel willen fotograferen, gebruiken een groothoeklens, maar ook daar neemt Hockney geen genoegen mee. Met een groothoeklens krijg je rare vervormingen, zegt de kunstenaar. Bovendien is het volgens hem onmogelijk een ruimte in één keer te overzien. Het oog richt zich steeds op andere details in de ruimte en vormt zich zo een beeld van het geheel. Op dezelfde wijze fotografeert Hockney elk deel van de ruimte afzonderlijk, om de foto's vervolgens weer als puzzelstukjes aan elkaar te plakken.

De resultaten van Hockney's grote collage-achtige foto's, door hem 'joiners' genoemd, zijn verbluffend. Je ogen schieten heen en weer over het beeld om de verschillende foto's afzonderlijk te bekijken. Tegelijkertijd lijkt ook het beeld te gaan bewegen. De foto's gaan dansen en komen tot leven. Een man in een zwembad lijkt echt te zwemmen en een panoramisch overzicht van de Grand Canyon is zo overdonderend en bevat zoveel diepte dat het bijna lijkt of je zelf aan de rand van het kilometerbrede gat in de aarde staat.

Hoewel Hockney's techniek op het eerste gezicht ingewikkeld lijkt, zijn de fotografische middelen die hij gebruikt heel eenvoudig. Naast een polaroidcamera hanteert de kunstenaar een simpele spiegelreflexcamera met gewone kodakfotorolletjes. De duizenden foto's die hij maakte liet hij ontwikkelen bij de één-uur-service om de hoek van zijn huis in Los Angeles. Het kostte hem veel tijd om het personeel daar te overtuigen dat hij echt alle foto's wilde ontwikkelen, ook die waarop alleen een neus, een tafelpoot of een stukje lucht te zien was. Nog steeds krijgt hij van de fotozaak gebruiksaanwijzingen mee waarin geduldig wordt uitgelegd hoe hij de camera op het onderwerp moet richten, de nadruk moet leggen op de voorgrond, enzovoort.

De polaroidportretten behoren tot de meest geslaagde werken binnen Hockney's fotografische oeuvre. De foto's zijn vaak opmerkelijk helder van kleur en tonen de vrienden en kennissen van de kunstenaar in hun meest typerende houdingen. Verschillende bewegingen kunnen binnen één werk worden gevangen. Zo heeft Hockney in het portret van beeldhouwer Henry Moore de nadruk op zijn handen gelegd. We zien een druk pratende man met een hoofd dat uit vier delen bestaat. Alhoewel zijn mond gesloten is, geven de vier paar handen aan dat de beide kunstenaars tijdens het fotograferen met elkaar in gesprek waren. De witte randen tussen de foto's zorgen ervoor dat het beeld steeds net iets verschuift, waardoor een heel levendig, haast schilderachtig portret ontstaat.

De portretten tonen veel verwantschappen met kubistische schilderijen. We zien gezichten vanuit verschillende standpunten, met meerdere ogen, neuzen en monden. Hockney bezocht in 1960 als student aan de Royal College of Art in Londen acht keer de tentoonstelling van Picasso in de Tate Gallery en maakt er in interviews geen geheim van dat hij een groot bewonderaar van Picasso is. Volgens Hockney hebben kunsthistorici het mis wanneer zij zeggen dat het kubisme leidde naar meer abstractie in de kunst, want dichter bij de werkelijkheid dan de kubistische werken van Picasso kan een schilder volgens hem niet komen.

In The scrabble game (1983) zien we Hockney's moeder met twee vrienden rond een tafel zitten, terwijl ze verwoed proberen hun letters op het scrabblebord kwijt te raken. Blije, gespannen en peinzende gezichten - iedereen is minstens vier keer afgebeeld - zijn gevangen in één grote collage. De aanwezigheid van de kunstenaar blijkt uit een plankje met letters dat naar de toeschouwer gericht staat. Ernaast rust een hand, geduldig wachtend op het moment dat hij zijn slag kan slaan. Ook in andere werken is de aanwezigheid van de kunstenaar voelbaar, bijvoorbeeld doordat de punten van zijn schoenen zijn afgebeeld. Het draagt alleen maar bij aan de ruimtelijke werking van de foto's en versterkt het gevoel dat je er zelf bij was toen de foto gemaakt werd.

De techniek die Hockney tot zijn handelsmerk heeft gemaakt, is simpel maar doeltreffend. Ondanks de overstelpende hoeveelheid werken op de tentoonstelling (ruim driehonderd) gaan de foto's niet vervelen. Hockney is niet zomaar een schilder die ook wat foto's maakt. Deze tentoonstelling bewijst dat hij ook als fotograaf behoort tot de belangrijkste kunstenaars van deze eeuw.