Havana!

's Nachts ondergaat Havana een metamorfose. Schaduwen in gradaties. Auto's die geparkeerd staan worden levenloze dingen, terwijl de huizen en de brokstukken van ineengestorte muren tot leven komen. Flikkerende televisieschermen doen de gevels swingen. Een Chevrolet, de assen op bakstenen, lijkt het luchtruim te kiezen. Zwartige vrouwen dansen op gedachte muziek. Kleine kinderen, zwevende zielen proberen hun hoofden door de tralies te steken, de schaduwen van de dag worden nachtelijke gordels. Van passie, verbeelding of verveling.

Ik dool al uren rond, op zoek naar een huis waar ik een week geleden ben geweest. Een vriendin van me, we hebben afscheid genomen zonder adressen uit te wisselen. Ik wil haar zien, maar besef dat ik in een verkeerde wijk terecht ben gekomen.

Ik verveel me, en om die verveling te verdrijven ga ik een willekeurig huis binnen. Twee trappen op, een gang door. Ik klop op een deur. Luister naar traag gestommel, halve stemmen. Een enorme negerin doet open. Geheel gekleed in het wit, de kleuren van een santera, een Yoruba-ingewijde. Met een miniem gebaar nodigt ze me uit. Ik aarzel, en loop met haar mee, naar binnen.

“Is Mercedes thuis?”

“Ze is even de straat op, komt zo terug. Kom toch binnen.”

En ik sta in een willekeurig vertrek, terwijl mijn vreselijke blaséheid wegebt en plaatsmaakt voor een stotterende zenuwachtigheid.

Ik ga maar zitten, zoals mij werd verzocht, en krijg een glas rum in mijn handen gedrukt. Ik kijk om me heen. In de kamer wordt onmiskenbaar religie bedreven. In de hoek van de kamer. Ik wil zeggen, dé hoek, de mooiste hoek van de kamer waar het pleister nog enigszins aan de muur zit geplakt. Daar staat een heiligenbeeld van een meter hoog, omringd door brandende kaarsen, flessen vino en rum en ruw gedraaide sigaren. Op een schoteltje liggen biljetten en munten.

“Ben je een vriend van Mercedes?” We zitten tegenover elkaar als was het een obligate doch gezellige familievisite.

“Ja”, zeg ik aarzelend en bijtend in mijn onverteerbare fantasie. “Ik ken haar van de AgroExpo van vorig jaar. Ik ben zelf ook biotechnicus.”

“Ay, que bueno.” Ze kijkt me op zo'n manier aan dat ik niet kan bevroeden of zij er geen zak van gelooft of dat ze mijn data toevoegt aan haar fantasie en zich voedt met mijn wezenlijke occupaties. Ik hoor mezelf zeggen: “Net als Adalberto. Haar man.”

“Oh, hij is er ook niet. Hij werkt tot laat.”

“Hoe heet je? Ik heet Teresa. Zeg maar Teresita.”

Ik kijk haar strak aan, misschien te strak, in een poging om iets van onzekerheid te ontdekken, maar het lukt me niet. Teresa is óf te serieus, en ze woont werkelijk in huis met twee biotechnici die Mercedes en Adalberto heten, óf ze is volslagen gek.

Ik gok op het laatste. Dat is altijd het veiligste voor je eigen zielenrust. Je moet niet alles proberen te begrijpen.

“Vandaag is de verjaardag van Ochún, mijn santo. Vanavond geef ik een feest ter ere van hem. Jij bent ook uitgenodigd, nee, je moet komen. We gaan veel rum drinken. Mercedes komt ook, zij is ook dochter van Ochún.”

Bij wijze van voorschot op het beloofde wordt mijn glas alvast bijgevuld.

“Wat is jouw santo? Ha, je weet het niet. Geeft niet, ik heb de gave om dat te zien.”

Ze legt haar hand op mijn voorhoofd en drukt zo hard dat ik even denk met stoel en al achterover te vallen. Ze rolt met haar ogen en een woordenvloed stroomt uit haar mond, ze lispelt in een wellicht inexistente taal.

En wat! Mijn geluk kan niet op. Ik ben ook een zoon van Ochún, de Yoruba-pendant van Santa Barbara. En dan begint het mij te dagen.

Ze wijst op de schaal met munten die bij de offergaven staat. De munten fonkelen in het kaarslicht. “Nu moet jij Ochún ook wat geven. Hoeveel, dat moet je zelf weten. Alleen Ochún en jij weten wat je kunt missen.”

Ik ben te laf om een pesomunt uit mijn broekzak te halen. Ik grijp naar de dikke stapel dollars, die ik niet in zijn geheel uit mijn zak wil halen, en voel of er een beduimeld dollarbiljet te identificeren valt. Ondertussen bid ik tot van alles en nog wat dat ik geen briefje van vijftig tevoorschijn zal halen. Langzaam vouw ik mijn hand open en een dode Amerikaanse president grijnst mij aan, een briefje van twintig. Met een genereus gebaar deponeer ik het op het schoteltje. Teresita kijkt me onbewogen aan. “Ochún zal je belonen”, zegt ze, plotseling zeer aards.

Ach ja, ik heb weinig verstand van deze zaken. Je weet maar nooit.